Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:2576

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juli 2014
Publicatiedatum
30 juli 2014
Zaaknummer
12-4627 WMO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 WmoArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toekenning scootmobiel en persoonsgebonden budget op grond van Wmo

Appellant, die door een verkeersongeval mobiliteitsbeperkingen heeft, kreeg van het college een scootmobiel toegekend via een persoonsgebonden budget (pgb) gebaseerd op de aanschafwaarde van een driewielige scootmobiel. Appellant kocht echter een duurdere vierwielige scootmobiel en maakte bezwaar tegen de hoogte van het pgb. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond omdat appellant niet meewerkte aan een onderzoek naar de meest geschikte scootmobiel, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de referentievoorziening onvoldoende was.

De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat het college de compensatieverplichting correct had nageleefd door het pgb te baseren op de referentievoorziening. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college ten onrechte geen programma van eisen had opgesteld en dat hij niet kon worden verweten niet mee te werken aan het onderzoek.

De Raad stelde vast dat appellant tijdens het onderzoek niet wilde deelnemen aan de passing en geen toestemming gaf voor medisch onderzoek, waardoor geen programma van eisen kon worden opgesteld. De verklaring van een ergotherapeut van appellant dat een vierwielige scootmobiel noodzakelijk was, overtuigde de Raad niet. De Raad concludeerde dat het college terecht het pgb op basis van de driewielige scootmobiel had vastgesteld en bevestigde het bestreden besluit.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het college heeft terecht het pgb vastgesteld op basis van de driewielige scootmobiel als referentievoorziening.

Uitspraak

12/4627 WMO, 12/5112 WMO
Datum uitspraak: 30 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van
10 juli 2012, 12/214 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Offermans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.A.T.M. Brouns.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Als gevolg van een verkeersongeval ondervindt appellant beperkingen in zijn mobiliteit.
1.2.
Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het college aan appellant op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een voorziening toegekend in de vorm van een scootmobiel, te ontvangen middels een persoonsgebonden budget (pgb) van
€ 7.616,42. Het college heeft de hoogte van het pgb vastgesteld aan de hand van de aanschafwaarde van een standaard driewielige scootmobiel, type Sterling Elite XS 3-wiel, met toebehoren (referentievoorziening). Appellant heeft het pgb besteed aan de aanschaf van een vierwielige scootmobiel, type Travelux Infenion 4-wiel, ten bedrage van € 12.587,82.
1.3.
Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar, heeft het college de MO-zaak verzocht om onderzoek te doen naar de geschiktheid van de referentievoorziening voor appellant. Het college heeft het advies van de MO-zaak op 2 september 2011 ontvangen.
1.4.
Bij besluit van 19 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant onder verwijzing naar het advies van de MO-zaak ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant heeft geweigerd om mee te werken aan het onderzoek van de MO-zaak naar de voor hem meest geschikte scootmobiel, zodat niet is gebleken dat de referentievoorziening niet adequaat is. Op basis van de beschikbare informatie van de behandelend artsen van appellant kan ook geen noodzaak voor een vierwielige scootmobiel worden vastgesteld.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het uitgangspunt van het college, dat appellant voor vervoer over de korte afstanden is aangewezen op een scootmobiel en dat de hoogte van het pgb wordt vastgesteld aan de hand van de goedkoopst compenserende referentievoorziening, in dit geval de Sterling Elite XS 3-wiel, in overeenstemming is met artikel 4 van Pro de Wmo en de desbetreffende bepalingen van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Roermond 2010. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de werkwijze van het college, waarbij een programma van eisen wordt opgesteld op basis van een passing, niet onjuist of onzorgvuldig is te achten. De rechtbank ziet geen grond voor de conclusie dat het appellant niet zou zijn aan te rekenen dat hij geen medewerking heeft verleend aan de passing, die tijdens het onderzoek van de MO-zaak zou worden uitgevoerd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat een driewielige scootmobiel voor hem een onverantwoord veiligheidsrisico met zich brengt, terwijl dit ook niet is op te maken uit de inlichtingen van de behandelend artsen van appellant. De medisch adviseur van de MO-zaak heeft evenmin aanvullende eisen aan een te verstrekken scootmobiel gesteld. Het college heeft zich voor de hoogte van het pgb dan ook mogen baseren op de referentievoorziening en heeft met de toekenning van een pgb ter hoogte van de aanschafwaarde voldaan aan de op hem rustende compensatieverplichting.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het college ten onrechte geen programma van eisen heeft geformuleerd. De door appellant geraadpleegde ergotherapeut H. Knops (Knops) heeft appellant geadviseerd om vanwege evenwichts- en coördinatieproblemen een vierwielige scootmobiel aan te schaffen. Het kan appellant niet worden verweten dat hij niet heeft meegewerkt aan het onderzoek van de MO-zaak.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Anders dan de Raad bij brief van 14 september 2012 aan partijen heeft bericht, wordt het besluit van 28 augustus 2012, zoals gehandhaafd bij besluit van 5 maart 2013, niet op de voet van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de beoordeling betrokken nu dit besluit op een geheel nieuwe aanvraag van 10 mei 2012 ziet.
4.2.
De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het college zich bij de vaststelling van de hoogte van het pgb terecht heeft gebaseerd op de aanschafwaarde van de onder 1.2 genoemde driewielige referentievoorziening en dat het college daarmee heeft voldaan aan de op hem rustende compensatieverplichting. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel.
4.3.
De Raad voegt hier nog het volgende aan toe.
4.4.
Het college heeft ter zitting toegelicht dat naar aanleiding van een aanvraag eerst een selectie van de voor een betrokkene meest geschikte scootmobiel dient plaats te vinden aan de hand van een passing bij de firma Kersten (Kersten). Omdat appellant tijdens het bezoek aan Kersten niet heeft willen rijden of plaatsnemen op de referentievoorziening, heeft geen passing en selectie kunnen plaatsvinden van de voor appellant meest geschikte scootmobiel. Daarom heeft het college in de bezwaarfase besloten om hierover alsnog advies bij de
MO-zaak in te winnen.
4.5.
Appellant heeft niet betwist dat geen passing bij Kersten heeft plaatsgevonden. De door appellant gegeven verklaring dat hij tijdens het bezoek aan Kersten door een verkoopmedewerker zonder ergonomische expertise te woord is gestaan, overtuigt de Raad niet. Het college heeft immers genoegzaam toegelicht dat de medewerkers van Kersten over voldoende expertise beschikken en de ergotherapeut van Kersten zo nodig overleg voert met de ergotherapeut van de gemeente. Het college heeft verder toegelicht dat zonder passing geen programma van eisen kon worden opgesteld en dat daarom is uitgegaan van een standaardmodel scootmobiel. Met betrekking tot het onderzoek door de MO-zaak blijkt uit de gedingstukken dat appellant een lichamelijk onderzoek door een medisch adviseur van de MO-zaak niet heeft toegestaan, dat hij geen toestemming heeft gegeven voor het opvragen van nadere informatie bij de behandelend artsen en dat hij evenmin zijn mogelijkheden en beperkingen heeft willen bespreken met de medisch adviseur. Ook heeft appellant niet willen plaatsnemen of rijden op de verschillende testscootmobiels. Appellants verklaring dat in verband met de veiligheid van hem niet kon worden gevergd om te rijden op een driewielige scootmobiel, kan niet worden gevolgd. Het onderzoek door de MO-zaak vond immers plaats in een afgeschermde testomgeving, onder begeleiding van meerdere medewerkers die appellant zouden helpen bij het rijden op de verschillende scootmobiels. Dat ook in bezwaar geen volledige passing heeft plaatsgevonden of onderzoek is gedaan naar de voor appellant meest geschikte scootmobiel, dient onder deze omstandigheden geheel voor zijn rekening en risico te komen.
4.6.
Nu verder uit de door appellant overgelegde verklaring van Knops van 17 oktober 2011 niet kan worden afgeleid dat appellant niet verantwoord op een driewielige scootmobiel zou kunnen rijden, heeft het college zich terecht het standpunt gesteld dat de noodzaak van een andere voorziening dan de referentievoorziening niet kan worden vastgesteld en dat appellant met de driewielige referentievoorziening wordt gecompenseerd in zijn beperkingen bij het zich buitenshuis verplaatsen. Het college heeft zich bij de vaststelling van de hoogte van het pgb dan ook terecht gebaseerd op de aanschafwaarde van de referentievoorziening.
4.7.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en
G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) H.J. Dekker

RB