ECLI:NL:CRVB:2014:2580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen Ziektewetbesluit wegens termijnoverschrijding
Appellant was sinds 25 november 2008 arbeidsongeschikt als gevolg van een gecompliceerde breuk aan de rechterarm. Na afloop van de wachttijd weigerde het UWV een WIA-uitkering toe te kennen omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellant meldde zich op 31 maart 2011 ziek terwijl hij een WW-uitkering ontving. Het UWV weigerde een Ziektewetuitkering toe te kennen per 31 maart 2011 omdat de maximale uitkeringsduur van 104 weken was verstreken op 23 november 2010.
Op 12 april 2011 stelde een verzekeringsarts vast dat appellant geschikt was om zijn arbeid te verrichten en reikte het besluit van die datum uit. Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 7 april 2011, dat het UWV deels honoreerde. Het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2011 werd echter niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij het besluit van 12 april 2011 nooit had ontvangen en dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard. De Raad oordeelde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat het besluit was uitgereikt, mede door de verklaring van de verzekeringsarts en diens rapportage over de reactie van appellant. De bezwaarperiode was daarmee correct gestart en appellant had onvoldoende onderbouwing gegeven om de ontvangst te betwisten.
De Raad bevestigde dat het bezwaar te laat was ingediend en dat appellant geen belang had bij het beroep tegen het eerste besluit omdat dit de einddatum van de uitkering niet kon wijzigen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het bezwaar tegen het Ziektewetbesluit van 12 april 2011 niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de termijn.