ECLI:NL:CRVB:2014:2581
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage en woonlandfactor bij verdragsgerechtigde onder Zvw
Appellant, woonachtig in Engeland en ontvanger van een AOW-uitkering, betwistte de buitenlandbijdrage die Zorginstituut Nederland hem oplegde voor zorgkosten in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Hij voerde onder meer aan dat de Zvw niet eerder dan in 2009 in werking zou zijn getreden, dat hij onterecht een bijdrage moest betalen voor zorg waarop hij al via zijn Britse echtgenote aanspraak had, en dat de woonlandfactor niet correct was toegepast.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep deels gegrond maar wees het beroep tegen het definitieve besluit af wegens termijnoverschrijding. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd het bestreden besluit getoetst. De Raad oordeelde dat de Zvw op 1 januari 2006 in werking trad en dat de buitenlandbijdrage een wettelijk verplichte bijdrage is, die ook geldt voor verdragsgerechtigden zoals appellant.
De woonlandfactor werd bevestigd als een instrument om de verhouding tussen zorgkosten in het woonland en Nederland te bepalen, waarbij valutafluctuaties niet direct van invloed zijn. De zogenoemde 'inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage' werd uitgelegd als een pseudo-premie die onderdeel is van de buitenlandbijdrage en niet gelijkgesteld kan worden met een echte AWBZ-premie. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt bevestigd.