ECLI:NL:CRVB:2014:2622

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 augustus 2014
Publicatiedatum
5 augustus 2014
Zaaknummer
13-3243 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AnwArt. 3 AnwArt. 3:2 AwbArt. 7:12 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding

Appellante ontving sinds 1992 een nabestaandenuitkering die in 1996 werd omgezet naar een Anw-uitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde na een anonieme melding een onderzoek in naar de rechtmatigheid van deze uitkering, waarbij werd geconcludeerd dat appellante en betrokkene sinds april 2005 een gezamenlijke huishouding voerden. Op grond hiervan trok de Svb de uitkering per mei 2005 in en vorderde zij de onterecht betaalde bedragen terug.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep anders. De Raad stelt dat de onderzoeksgegevens onvoldoende feitelijke grondslag bieden om te concluderen dat appellante en betrokkene hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden. De inschrijvingen in de GBA betroffen vaak slechts correspondentieadressen en verklaringen van appellante en betrokkene geven aan dat betrokkene veel in het buitenland verbleef en een ander woonadres had.

Ook getuigenverklaringen en andere gegevens boden onvoldoende bewijs voor een gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de onderliggende besluiten van de Svb, en veroordeelt de Svb tot vergoeding van de kosten van appellante. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 augustus 2014.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten tot intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.

Uitspraak

13/3243 ANW
Datum uitspraak: 5 augustus 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
2 mei 2013, 12/3386 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats 1] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Nentjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 24 juni 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nentjens. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 1 mei 1992 een weduwepensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, dat met ingang van 1 juli 1996 van rechtswege is omgezet naar een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Zij stond van
12 april 1999 tot 1 februari 2007 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het adres[adres 1] te [woonplaats 1], van 1 februari 2007 tot 15 juli 2011 op het adres [adres 2] te [woonplaats 2] en vanaf 15 juli 2011 op het adres [adres 3] te [woonplaats 1]. Zij heeft samen met [X.] ([X.]) een kind, dat is geboren op 12 augustus 2001. [X.] heeft in de GBA van 1 april 2005 tot
18 juli 2007 ingeschreven gestaan op het adres [adres 1] te Rotterdam, van 18 juli 2007 tot 21 januari 2009 op het adres [adres 2] te [woonplaats 2] en vanaf
21 januari 2009 op het adres [adres 4] te [woonplaats 2].
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante samenwoont op haar adres met [X.], heeft een sociaal rechercheur van de Svb, Regio Noord-West, Vestigingskantoor Leiden, (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende nabestaandenuitkering. In dat kader heeft de sociaal rechercheur dossieronderzoek verricht, verschillende registers en de administratie van twee woningbedrijven geraadpleegd en bankbescheiden gevorderd en bekeken. Verder heeft hij waarnemingen verricht, getuigen gehoord en appellante en [X.] verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal, dat is afgesloten op 5 september 2011.
1.3.
De Svb heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van
14 juli 2011 het recht van appellante op nabestaandenuitkering met ingang van de maand mei 2005 in te trekken op de grond dat appellante een gezamenlijke huishouding voert. Bij besluit van eveneens 14 juli 2011 heeft de Svb de over de periode van mei 2005 tot en met juni 2011 ten onrechte betaalde nabestaandenuitkering tot een bedrag van € 81.613,34 bruto van appellante teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 22 juni 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van 14 juli 2011 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De besluiten tot intrekking en terugvordering van een nabestaandenuitkering zijn belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor beëindiging en intrekking is voldaan in beginsel op de Svb rust.
4.2.
In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw, voor zover hier van belang, is bepaald dat het recht op nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Ingevolge het tweede lid van artikel 16 van Pro de Anw eindigt het recht met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de nabestaande een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.
4.3.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, van dit artikel wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
4.4.
Aangezien appellante en [X.] gezamenlijk een kind hebben, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [X.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
4.5.
De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de door de Svb aan de besluiten van 14 juli 2011 ten grondslag gelegde onderzoeksgegevens onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en [X.] sinds april 2005 hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.6.
De Svb heeft voor de conclusie dat sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellante groot gewicht toegekend aan het feit dat de woning op het adres [adres 1] werd gehuurd door [X.] en dat de huur hoofdzakelijk door hem werd betaald, terwijl ook de woning op het adres [adres 2] mede op zijn naam stond en ook voor dat adres gold dat vooral [X.] de vaste lasten betaalde. Dat uit deze feiten en omstandigheden volgt dat [X.] op die adressen woonde, is - zoals ter zitting door de Svb is bevestigd - een aanname, maar daarmee is het feitelijk gezamenlijk hoofdverblijf op die adressen ten tijde van belang niet aannemelijk gemaakt. Het door de sociaal rechercheur verrichte onderzoek heeft onvoldoende concrete gegevens opgeleverd om aannemelijk te achten dat [X.] zijn hoofdverblijf bij appellante had. Niet in geschil is dat in de perioden waarin [X.] op deze twee adressen gelijktijdig met appellante stond ingeschreven, zijn inschrijving in de GBA slechts een inschrijving als correspondentieadres betrof. Appellante en [X.] hebben tijdens de verhoren beiden consequent verklaard dat [X.] niet zijn woonadres op deze adressen had, veel in het buitenland verbleef en vanaf 2009 zijn woonadres had aan de [adres 4]. Zij hebben beiden verklaard dat zij elkaar al langer kennen, dat [X.] appellante heeft geholpen en haar ook heeft geholpen met huisvesting, omdat haar inkomen ontoereikend was voor passende huisvesting. Het voorgaande wordt niet anders omdat appellante, gevraagd naar een gezamenlijke huishouding, heeft verklaard: “Ik vind dat ik niet samenwoon want [X.] is niet permanent bij mij, hij is wel bij mij als ie in Nederland is.” Deze verklaring is in de tegenwoordige tijd gesteld en de sociaal rechercheur heeft niet doorgevraagd wat appellante bedoelde met bij haar verblijven en ook is niet duidelijk op welke periode haar verklaring ziet.
4.7.
Verder is voor elk van beide adressen maar één, niet bij naam bekende getuige gehoord. Deze getuigenverklaringen bevatten onvoldoende concrete feiten en omstandigheden om aannemelijk te achten dat [X.] op beide adressen, gedurende de gehele te beoordelen periode, bij appellante woonde. Met de twee geanonimiseerde getuigenverklaringen bij het adres [adres 4] is aannemelijk gemaakt dat [X.] daar maar kort heeft gewoond, maar daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat hij aan de [adres 2] woonde. De Svb beroept zich verder nog op gegevens die zijn verkregen uit de politieregisters en van de werkgever, maar deze gegevens hebben betrekking op medio 2007 en oktober 2010 en zien niet terug op de datum van de beëindiging. De Raad wijst er ten slotte nog op dat de sociaal rechercheur geen huisbezoek heeft afgelegd op het woonadres van appellante en dat hij bij de door hem verrichte waarnemingen niet heeft vermeld wanneer deze hebben plaatsgevonden.
4.8.
Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat de onderzoeksgegevens ook in onderling verband bezien geen toereikende grondslag bieden voor de intrekking van de nabestaandenuitkering van appellante per 1 mei 2005 en de terugvordering van die uitkering van appellante over de periode van mei 2005 tot en met juni 2011.
4.9.
Uit 4.8 volgt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet op een deugdelijke grondslag berust. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding om de beide besluiten van 14 juli 2011 te herroepen, nu deze besluiten op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berusten en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de gemachtigde van de Svb ter zitting heeft verklaard dat nader onderzoek niet meer mogelijk is.
5.
Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 944,- in bezwaar, € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep, derhalve in totaal € 2.832,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 juni 2012;
- herroept de besluiten van 14 juli 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van
het vernietigde besluit van 22 juni 2012;
- veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.832,-;
- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 160,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en Y.J. Klik en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2014.
(getekend) J.F. Bandringa
(getekend) M.R. Schuurman
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD