ECLI:NL:CRVB:2014:2622
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Y.J. Klik
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1992 een nabestaandenuitkering die in 1996 werd omgezet naar een Anw-uitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde na een anonieme melding een onderzoek in naar de rechtmatigheid van deze uitkering, waarbij werd geconcludeerd dat appellante en betrokkene sinds april 2005 een gezamenlijke huishouding voerden. Op grond hiervan trok de Svb de uitkering per mei 2005 in en vorderde zij de onterecht betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep anders. De Raad stelt dat de onderzoeksgegevens onvoldoende feitelijke grondslag bieden om te concluderen dat appellante en betrokkene hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden. De inschrijvingen in de GBA betroffen vaak slechts correspondentieadressen en verklaringen van appellante en betrokkene geven aan dat betrokkene veel in het buitenland verbleef en een ander woonadres had.
Ook getuigenverklaringen en andere gegevens boden onvoldoende bewijs voor een gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de onderliggende besluiten van de Svb, en veroordeelt de Svb tot vergoeding van de kosten van appellante. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 augustus 2014.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten tot intrekking en terugvordering van de nabestaandenuitkering worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.