ECLI:NL:CRVB:2014:2658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toelating maatschappelijke opvang wegens niet-rechtmatig verblijf ondanks bescherming kwetsbare minderjarige
Appellanten, een gezin uit Oezbekistan, hebben sinds 2000 in Nederland asiel aangevraagd, maar hun verzoeken zijn definitief afgewezen. Zij verblijven niet rechtmatig in Nederland en zijn financieel afhankelijk van giften van derden. In 2011 vroegen zij toelating tot maatschappelijke opvang aan, welke door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag werd geweigerd op grond van hun illegale verblijf.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, stellende dat het gezin feitelijk onderdak had en dat de weigering een fair balance weerspiegelde tussen publieke en particuliere belangen. Appellanten stelden in hoger beroep dat hun staatloosheid en de kwetsbare positie van de minderjarige dochter een positieve opvangplicht rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat hoewel artikel 8 EVRM Pro bescherming biedt aan het privé- en gezinsleven, waaronder kwetsbare kinderen, appellanten geen rechtmatig verblijf hebben en feitelijk onderdak en levensonderhoud ontvangen. De weigering tot maatschappelijke opvang is daarom proportioneel en in overeenstemming met de fair balance tussen publieke belangen en particuliere belangen.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag tot maatschappelijke opvang wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf.