ECLI:NL:CRVB:2014:272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel niet in strijd met internationaal recht
Betrokkene, geboren in 1987 en sinds 2001 in Nederland zonder verblijfsvergunning, vroeg kinderbijslag aan die door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd geweigerd op grond van het koppelingsbeginsel in artikel 6 lid 2 AKW Pro. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, verwijzend naar eerdere uitspraken van de Raad die het onderscheid naar verblijfsstatus rechtvaardigen.
De Hoge Raad bevestigde in 2012 dat het onderscheid in artikel 6 lid 2 AKW Pro een legitiem doel dient en proportioneel is, ook als betrokkene langdurig in Nederland verblijft. Betrokkene stelde dat de weigering in strijd is met internationale verdragen, waaronder het IVRK en IVBPR, en verzocht om aanhouding van de procedure in afwachting van een VN-Mensenrechtencomité oordeel.
De Raad oordeelt dat het beroep op internationale verdragen geen directe werking heeft en geen aanleiding geeft tot afwijking van het koppelingsbeginsel. Ook schrijnende omstandigheden zoals vrouwenhandel rechtvaardigen geen uitzondering. De procedure wordt niet aangehouden en de weigering van kinderbijslag wordt bevestigd. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens ontbreken van een verblijfstitel.