ECLI:NL:CRVB:2014:2746

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 augustus 2014
Publicatiedatum
15 augustus 2014
Zaaknummer
12-4806 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging urenbeperking WIA-uitkering bij chronisch vermoeidheidssyndroom zonder medisch substraat

Appellant, laatstelijk werkzaam als bedrijfsleider, ontving sinds februari 2008 een loongerelateerde WIA-uitkering. Het UWV stelde bij besluit van juni 2011 vast dat deze uitkering per september 2011 zou eindigen en een WGA-vervolguitkering van 50,75% zou worden toegekend. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat hij slechts maximaal twee uur per dag kon werken vanwege CVS.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80% terecht was. In hoger beroep betoogde appellant dat de urenbeperking van vier uur per dag onvoldoende was, omdat hij op basis van eigen ervaringen slechts twee uur per dag kon werken.

De Raad stelde vast dat er geen medisch substraat was voor een verdergaande urenbeperking dan die door het UWV was vastgesteld. Hoewel appellant CVS had, waren er geen somatische verklaringen voor deze diagnose en was het UWV uitgegaan van de Standaard verminderde arbeidsduur en het Protocol CVS. De Raad vond dat het UWV niet verplicht was enkel op de ervaringen van appellant af te gaan, ook al werden deze als geloofwaardig beoordeeld.

De arbeidsdeskundige rapporten waren voldoende gemotiveerd en gaven aan dat appellant met de vastgestelde beperkingen de geselecteerde functies kon verrichten. Een neuropsychologisch onderzoek werd niet noodzakelijk geacht. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de urenbeperking tot vier uur per dag en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

12/4806 WIA
Datum uitspraak: 15 augustus 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 juli 2012, AWB 12/801 WIA (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A.I. Timmermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Timmermans. Het Uwv is - met bericht van verhindering - niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant, die laatstelijk werkzaam is geweest als bedrijfsleider, is met ingang van
23 februari 2008 een loongerelateerde uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend.
1.2. Bij besluit van 8 juni 2011 heeft het Uwv aan appellant bericht dat die loongerelateerde uitkering op 23 september 2011 eindigt en dat aan hem per die datum een
WGA-vervolguitkering wordt toegekend, berekend naar een uitkeringspercentage van 50,75%.
1.3. Bij besluit van 12 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juni 2011 ongegrond verklaard. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid per 23 september 2011 vastgesteld op 71%, hetgeen indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80% impliceert.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.2. De rechtbank is van oordeel dat het medisch en arbeidskundig onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, en dat indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80% op goede gronden heeft plaatsgevonden.
3.
In hoger beroep voert appellant met name aan dat er een verdergaande urenbeperking noodzakelijk is dan het Uwv heeft aangenomen. Appellant acht zich, gebaseerd op zijn eigen ervaringen, maximaal in staat tot twee uur werken per dag. Appellant acht zich niet in staat de door het Uwv geselecteerde functies te vervullen, omdat deze te zwaar voor hem zijn.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
Appellant lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Appellant is daarvoor ook geruime tijd behandeld. Uitgaande van deze diagnose heeft het Uwv in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) beperkingen opgenomen in verband met een verminderd energetisch niveau. Het Uwv acht appellant geschikt voor passende werkzaamheden gedurende ongeveer vier uur per dag. Ook zijn er in de FML beperkingen opgenomen voor (sterk) wisselende diensten en nachtdiensten.
4.3.
Appellant is van oordeel dat hij maximaal twee uur per dag kan werken. Hij baseert dit op zijn ervaringen bij zijn laatste werkgever, waar hij voor halve dagen heeft hervat. Volgens appellant heeft hij daar echter nooit reëel vier uur kunnen werken, gelet op de vele pauzes die hij nodig had om het werk vol te kunnen houden.
4.4.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen medisch substraat is om een verdergaande urenbeperking aan te nemen dan door het Uwv is gedaan. Er zijn ook geen somatische verklaringen gevonden voor de gediagnostiseerde CVS. Het Uwv heeft de urenbeperking mede vastgesteld aan de hand van de Standaard verminderde arbeidsduur en het Protocol CVS. Deze richtlijnen bevatten echter geen verplichting voor het Uwv om, in een situatie als deze, waar geen medisch substraat voor de diagnose CVS is aan te wijzen, enkel uit te gaan van de ervaringen van appellant. Daaraan doet niet af dat het Uwv die ervaringen als geloofwaardig bestempelt.
De Raad onderschrijft derhalve het oordeel van de rechtbank dat met een urenbeperking tot vier uur per dag voldoende rekening is gehouden met de vermoeidheidsklachten van appellant. Voor een neuropsychologisch onderzoek ziet de Raad, evenmin als de rechtbank, aanleiding, nu er geen medische gronden zijn voor een dergelijk onderzoek.
4.5.
In de arbeidsdeskundige rapporten, met name die van 19 maart 2012 en van
26 oktober 2012, is voldoende gemotiveerd dat appellant in staat is, met inachtname van de vastgestelde beperkingen, de geselecteerde functies te verrichten.
4.6.
Hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.W. Akkerman en
B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2014.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) I.J. Penning
IvZ