ECLI:NL:CRVB:2014:2747
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- B.M. van Dun
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende oorzakelijk verband schouderklachten en werkstaking
Appellant was werkzaam als constructieschilder en meldde zich op 4 maart 2009 ziek met klachten aan zijn rechterschouder. Na een operatie hervatte hij aangepast werk zonder spuit- en straalwerkzaamheden. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen WIA-uitkering werd toegekend. De rechtbank bevestigde dit en wees het beroep van appellant af.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag 8 april 2008 was, de datum van een bedrijfsongeval. Hij onderbouwde dit met salarisspecificaties, een vaststellingsovereenkomst en een medisch rapport. Uit de salarisspecificaties bleek echter dat hij vanaf april 2008 geen straalpremie meer ontving, maar het ontbrak aan bewijs dat dit direct verband hield met het ongeval.
De vaststellingsovereenkomst en medische stukken boden onvoldoende inzicht in de ernst van het ongeval en het letsel. Ook ontbrak contact met een bedrijfsarts. De Raad concludeerde dat het enkele vermoeden onvoldoende was om het oorzakelijk verband aan te nemen. De rechtbank had terecht 4 maart 2009 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld.
Verder oordeelde de Raad dat er sprake was van maatgevende arbeid in het refertejaar en dat de functie van buschauffeur passend was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht is vastgesteld op 4 maart 2009.