Uitspraak
OVERWEGINGEN
.”
Centrale Raad van Beroep
Appellant, woonachtig in Spanje en ontvanger van een AOW-uitkering, was door Zorginstituut als verdragsgerechtigde aangemerkt en werd geacht een buitenlandbijdrage te betalen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Appellant ontving in 2007 een brief van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin werd meegedeeld dat vanaf april 2007 geen buitenlandbijdrage meer zou worden ingehouden en dat reeds ingehouden bedragen zouden worden gerestitueerd.
Zorginstituut stelde later een jaarafrekening vast voor 2008 waarin alsnog een buitenlandbijdrage werd opgelegd. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de brief van de Svb geen ondubbelzinnige toezegging inhield en dat appellant wel degelijk een bijdrage verschuldigd was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. Gelet op de wettelijke regeling dat beslissingen van de Svb in deze context worden toegerekend aan Zorginstituut, en de inhoud van de brief van de Svb, kon appellant gerechtvaardigd vertrouwen op de toezegging dat hij geen buitenlandbijdrage hoefde te betalen over 2008. De Raad vernietigt het bestreden besluit en het besluit van 15 juli 2011 en veroordeelt Zorginstituut in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot het opleggen van de buitenlandbijdrage over 2008 wordt vernietigd en herroepen wegens gerechtvaardigd vertrouwen van appellant.