ECLI:NL:CRVB:2014:2777
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor tandheelkundige kronen wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van het plaatsen van drie kronen, begroot op €1.410,-. De zorgverzekeraar vergoedde deze kosten niet omdat appellant hiervoor niet verzekerd was. Het college wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een voorliggende, toereikende en passende voorziening geldt en er geen sprake was van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, WWB.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de Zvw zonder meer als voorliggende voorziening beschouwde en dat de noodzaak van de behandeling onvoldoende was onderzocht. Ook stelde appellant dat het college ten onrechte zonder GGD-advies oordeelde dat geen zeer dringende redenen aanwezig waren.
De Raad oordeelde dat sinds 1 januari 2006 de Zvw voor tandheelkundige kosten in beginsel als voorliggende voorziening geldt en dat het college niet verplicht was de noodzaak van de behandeling te onderzoeken. Bijstand kan alleen worden verleend bij zeer dringende redenen, die een acute noodsituatie vereisen. De medische stukken boden geen aanwijzing voor een levensbedreigende situatie of blijvend ernstig letsel. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van drie kronen wordt afgewezen wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.