Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2009 bijstand op grond van de WWB. Na een onderzoek van de sociale recherche bleek dat zij geen melding had gemaakt van inkomsten via een en/of-rekening, werkzaamheden bij een manege, en aan- en verkoop van paarden/pony’s. Het dagelijks bestuur trok de bijstand in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank vernietigde het besluit voor de periode tot 1 mei 2011 omdat het recht op bijstand toen wel kon worden vastgesteld. Het hoger beroep richtte zich op de periode tot 10 december 2011. De Raad oordeelde dat de niet gemelde periodieke betalingen als inkomen moeten worden aangemerkt, ongeacht de besteding.
Ook de werkzaamheden en ontvangen kortingen bij de manege en de aan- en verkoop van paarden werden als op geld waardeerbare activiteiten beschouwd. Appellante hield geen controleerbare administratie bij, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand over de gehele periode.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand aan appellante wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.