ECLI:NL:CRVB:2014:2857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering intrekking WW-uitkering en verhaal bij overheidswerkgever
De zaak betreft het hoger beroep tegen de weigering van het UWV om een WW-uitkering van een ex-werknemer met terugwerkende kracht in te trekken. De ex-werknemer was interim directeur op een school en kreeg vanaf 1 april 2005 een WW-uitkering toegekend. De uitkering werd beëindigd per 13 augustus 2009 en de uitkeringslasten werden verhaald op de overheidswerkgever, appellanten.
Appellanten voerden aan dat het UWV onvoldoende controle had uitgeoefend op het sollicitatiegedrag van de ex-werknemer en dat de re-integratieverantwoordelijkheid bij het UWV lag, niet bij hen. Volgens hen had het UWV de uitkering moeten intrekken en het verhaal moeten beëindigen. De rechtbank wees deze beroepen af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad overwoog dat het Participatiefonds verantwoordelijk was voor de re-integratie en dat appellanten via een 'opting out' regeling deze taak van het UWV hadden overgenomen. Het UWV mag steekproefsgewijs controleren op de kwantitatieve sollicitatieverplichtingen, terwijl de kwaliteit van sollicitaties tot de taak van de overheidswerkgever behoort. Appellanten konden niet aannemelijk maken dat de ex-werknemer zijn sollicitatieverplichtingen niet nakwam of dat het UWV nalatig was. Bovendien stond artikel 23 WW Pro in de weg aan intrekking van een reeds beëindigde uitkering.
Daarom was er geen grond voor intrekking of herziening van de uitkering en evenmin voor beëindiging van het verhaal. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WW-uitkering met terugwerkende kracht in te trekken en het verhaal te beëindigen.