ECLI:NL:CRVB:2014:2893
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering overname loonvorderingen wegens gerede twijfel aan vordering op failliete werkgever
Appellant was van maart tot november 2010 in dienst bij een BV, waarbij hij naast een basissalaris recht had op provisie. Na beëindiging van het dienstverband stelde werkgeefster dat appellant een bedrag van €10.000,- aan provisie te veel had ontvangen en bracht dit in mindering op de eindafrekening.
Werkgeefster werd failliet verklaard, waarna appellant het UWV verzocht de betalingsverplichtingen van werkgeefster over te nemen. Het UWV weigerde dit omdat er gerede twijfel bestond over het bestaan van een vordering van appellant op werkgeefster. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en beval nader onderzoek.
Na aanvullend onderzoek handhaafde het UWV de weigering. De rechtbank oordeelde dat appellant zijn aanspraak op provisie onvoldoende aannemelijk had gemaakt. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en bevestigde de uitspraak, waarbij het verzoek om wettelijke rente werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van het UWV tot overname van loonvorderingen wordt bevestigd.