Uitspraak
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 974,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet maatschappelijke ondersteuning, waarvoor een eigen bijdrage werd vastgesteld en teruggevorderd door appellant, het CAK. Na meerdere correcties en een bezwaarprocedure verklaarde de rechtbank het beroep van betrokkene ongegrond, maar veroordeelde het CAK tot vergoeding van proceskosten en griffierecht vanwege onvoldoende inzichtelijkheid van de berekening.
Het hoger beroep van het CAK richtte zich uitsluitend tegen deze proceskostenveroordeling. Het CAK stelde dat geen sprake was van verwijtbaarheid en dat het ontbreken van hoger beroep door betrokkene tegen de inhoudelijke uitspraak betekende dat er geen motiveringsgebrek was. De Raad oordeelde echter dat het bestuursorgaan niet in staat was geweest de berekening begrijpelijk te maken in het besluit, waardoor betrokkene moest procederen om een deugdelijke motivering te verkrijgen.
De Raad verwierp het verweer dat het ontbreken van een hoorzitting tot onduidelijkheid had geleid, aangezien het bestuursorgaan primair een deugdelijke motivering moet geven. De Raad bevestigde de proceskostenveroordeling en legde een vergoeding van € 974,- voor verleende rechtsbijstand op aan het CAK, evenals het griffierecht van € 466,-.
Uitkomst: Het bestuursorgaan is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering in het bestreden besluit.