ECLI:NL:CRVB:2014:3231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2005 arbeidsongeschikt vanwege knie- en psychische klachten en ontving vanaf 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering. In 2009 werd deze omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 22 december 2011 na een herbeoordeling op verzoek van de ex-werkgever, waarbij werd vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond. Zij achtte het medisch onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig en vond dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. De rechtbank verwierp ook het argument dat appellante onvoldoende Nederlandse taal beheerst om de functies te vervullen, verwijzend naar het Schattingsbesluit.
In hoger beroep herhaalde appellante haar gronden, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere beoordeling. De Raad vond het medisch standpunt van het UWV juist en voldoende gemotiveerd, en concludeerde dat appellante de geselecteerde functies met haar opleidingsniveau en taalvaardigheid kan uitvoeren. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige voor aanvullend onderzoek.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.