ECLI:NL:CRVB:2014:3256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand voor niet-vergoede tandheelkundige kosten wegens ontbreken medische noodzaak
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van implantaten en kronen die niet werden vergoed door de ziektekostenverzekeraar. Het college van burgemeester en wethouders van Gouda wees deze aanvraag af op grond van het ontbreken van een medische noodzaak en het bestaan van een voorliggende voorziening.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep. Zij stelde dat haar psychische gesteldheid een medische noodzaak vormde en overlegde een brief van haar psycholoog ter onderbouwing.
De Raad overwoog dat de Zorgverzekeringswet sinds 2006 als voorliggende voorziening geldt voor tandheelkundige kosten en dat bijzondere bijstand alleen kan worden toegekend bij medische noodzaak. Het college had een buitenwettelijk begunstigend beleid dat bijzondere bijstand verleent als de behandeling noodzakelijk en goedkoopst adequaat is, en dit beleid was consistent toegepast.
De medisch adviseur van het college had appellante onderzocht en concludeerde dat de psychische klachten geen medische noodzaak voor de behandeling vormden. De psycholoog bevestigde dat de behandeling niet specifiek gericht was op het gemis van de implantaten en kronen.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor tandheelkundige kosten wordt bevestigd wegens ontbreken van medische noodzaak.