Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:BY9166

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-7402 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WWBArt. 31 WWBArt. 34 WWBArt. 35 WWBArt. 2.7 Besluit zorgverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor tandheelkundige implantaatbehandeling

Appellant verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van een tandheelkundige behandeling, specifiek de plaatsing van een implantaat. Het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel wees de aanvraag af op basis van een tandheelkundig advies waarin werd gesteld dat de gewenste behandeling niet noodzakelijk is en niet de goedkoopste adequate oplossing vormt.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging. Appellant voerde aan dat een frameprothese een belemmering vormt voor zijn beroepsuitoefening als zanger, wat bij een implantaat niet het geval zou zijn.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening geldt voor tandheelkundige kosten en dat bijzondere bijstand slechts kan worden verleend indien de behandeling noodzakelijk is en de goedkoopste adequate oplossing betreft. Het college hanteerde een buitenwettelijk begunstigend beleid dat op consistente wijze is toegepast.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor een tandheelkundig implantaat wordt afgewezen omdat de behandeling niet noodzakelijk is en niet de goedkoopste adequate oplossing vormt.

Uitspraak

11/7402 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2011, 11/1948 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)
Datum uitspraak 16 januari 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 5 december 2012, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 1 november 2010 een aanvraag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van een tandheelkundige behandeling (implantaat).
1.2. Bij besluit van 15 februari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 maart 2011 (bestreden besluit), heeft het college, onder verwijzing naar het naar aanleiding van de aanvraag van appellant uitgebrachte tandheelkundig advies om geen implantaten te plaatsen, de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat alles wat zich onnodig in zijn mond bevindt, zoals een frameprothese, een belemmering vormt voor de uitoefening van zijn beroep als zanger en dat dit probleem er niet is bij plaatsing van een implantaat.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
4.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
4.3. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 17 november 2009, LJN BK4230), dient voor de kosten van een tandheelkundige behandeling sinds 1 januari 2006 de Zorgverzekeringswet (Zvw), mede gelet op artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden beschouwd. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet tot de prestaties behoren die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening in de weg.
4.4. Het college volgde ten tijde van belang de gedragslijn dat bijzondere bijstand voor tandartskosten kan worden verleend indien uit een tandheelkundig onderzoek blijkt dat de desbetreffende behandeling noodzakelijk is en als de goedkoopste adequate oplossing kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft deze gedragslijn terecht gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 7 juli 2009, LJN BJ1918) wordt een dergelijk beleid als gegeven aanvaard en dient de door de bestuursrechter te verrichten toetsing zich te beperken tot de vraag of het beleid op consistente wijze is toegepast. In dit geval dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.5. Het college heeft advies ingewonnen bij tandarts [naam tandarts] over de noodzaak van de plaatsing van een implantaat in plaats van een frameprothese. [Naam tandarts] heeft appellant onderzocht en informatie opgevraagd bij de behandelend tandarts, de kaakchirurg en de huisarts van appellant. Uit het tandheelkundig advies van [Naam tandarts] van
9 februari 2011 volgt dat de tandheelkundige behandeling die appellant wenst te ondergaan niet een behandeling is die noodzakelijk is en als de goedkoopste adequate oplossing kan worden aangemerkt.
4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) J. de Jong
QH