ECLI:NL:CRVB:2014:3276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek bij rugklachten
Appellant, werkzaam als verfspuiter, meldde zich ziek vanwege toegenomen rug- en nekklachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat appellant vanaf 7 november 2011 weer geschikt was voor zijn werk en beëindigde het recht op ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat er geen objectiveerbare medische beperkingen waren vastgesteld die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten voortkomen uit een somatisatiestoornis en dat er wel degelijk objectiveerbare beperkingen zijn, onder meer door rapporten van psychiaters en een neuroloog. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, waarbij rekening was gehouden met alle relevante medische informatie, waaronder MRI-uitslagen en psychiatrische rapporten.
De Raad bevestigde dat de fysieke klachten geen reden geven voor arbeidsongeschiktheid en dat de somatisatiestoornis niet door het medisch onderzoek werd ondersteund als grond voor ongeschiktheid. Tevens werd gewezen op de vaste rechtspraak dat verzekeringsgeneeskundige protocollen, zoals het Protocol aspecifieke lage rugklachten, niet van toepassing zijn bij de beoordeling in het kader van de Ziektewet.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld blijft beëindigd.