Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:338

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 januari 2014
Publicatiedatum
5 februari 2014
Zaaknummer
12-2038 WMO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 14 EVRMArt. 33 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang wegens geen rechtmatig verblijf in Nederland

Appellanten, een Roma-gezin afkomstig uit Bosnië zonder rechtmatig verblijf in Nederland, verzochten om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht wees dit verzoek af, waarna appellanten bezwaar maakten en in beroep gingen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het gezin feitelijk onderdak had en dat de weigering van opvang een faire afweging was tussen publieke en particuliere belangen. In hoger beroep betoogden appellanten dat zij op grond van artikel 8 EVRM Pro recht hadden op opvang, mede vanwege de kwetsbare positie van hun kinderen.

De Raad oordeelde dat het recht op privéleven onder artikel 8 EVRM Pro weliswaar positieve verplichtingen kan meebrengen, maar dat de staat een ruime beoordelingsmarge heeft, zeker bij vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Het feit dat het gezin feitelijk onderdak had, maakte de weigering van maatschappelijke opvang gerechtvaardigd. Het beroep op artikel 14 EVRM Pro in combinatie met artikel 8 werd Pro eveneens verworpen vanwege het ontbreken van vergelijkbaarheid met andere groepen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van maatschappelijke opvang wordt bevestigd.

Uitspraak

12/2038 WMO, 12/2039 WMO, 12/2172 WMO, 12/2173 WMO, 12/2175 WMO,
12/2176 WMO, 12/2177 WMO, 12/2178 WMO, 12/2179 WMO, 12/2181 WMO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van
30 maart 2012, 11/1572 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant], (appellant), [Appellante] (appellante), en hun kinderen [kind 1.], [kind 2.], [kind 3.], [kind 4.], [kind 5.], [kind 6.], [kind 7.], [kind 8.], woonplaats kiezende te Haarlem
het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2013. Appellanten zijn - met bericht van verhindering - niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.A. van Dommelen.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten zijn Roma en afkomstig uit Bosnië. Hun acht kinderen zijn in
Bosnië-Herzegovina, in Spanje en in Nederland geboren. Appellanten zijn in 1995 vanuit Bosnië-Herzegovina gevlucht en in 1996 in Nederland aangekomen. In 2001 is aan appellanten en hun kinderen een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 33 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) voor onbepaalde tijd verleend, welke vergunningen in 2007 zijn ingetrokken. De intrekking van de voornoemde vergunningen staat inmiddels rechtens vast.
1.2.
Appellanten hebben zich op 7 oktober 2009 gemeld bij Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland omdat de kinderen geen onderwijs meer genoten en het gezin noodgedwongen in een bus sliep. Bureau Jeugdzorg heeft in samenwerking met het Leger des Heils en de GGD eind 2009 een huis gevonden voor het gezin aan de [adres 1.]te [plaatsnaam]. Op 21 april 2010 sloot het Leger des Heils een zorgleveringsovereenkomst W&G met het gezin, waarna een woning aan de [adres 2.] te[plaatsnaam] ter beschikking is gesteld. De gemeente Papendrecht heeft naar aanleiding van het verzoek om hulp van appellanten op 29 december 2010 besloten drie maanden huur te betalen door een subsidietoekenning aan de Stichting Noodopvang Papendrecht. Tegen de duur van de subsidieverlening is bezwaar gemaakt. Tegen de beëindiging van de subsidieverlening is hoger beroep aanhangig bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
1.3.
Op 12 oktober 2010 hebben appellanten het college onder meer verzocht om hulp in de vorm van maatschappelijke opvang ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij besluit van 29 juni 2011 heeft het college de aanvraag om maatschappelijke opvang afgewezen. De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) heeft appellanten een plek aangeboden in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) te Vlagtwedde, welke plek door het college wordt aangemerkt als adequate opvang. Bij besluit van 28 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 29 juni 2011 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat aan appellanten door DT&V woonruimte is aangeboden, aanvankelijk in de VBL in Ter Apel en nadien op één van de gezinslocaties in Katwijk of Gilze-Rijen. Appellanten hebben van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt. Voorts is gebleken dat appellanten ten tijde van de behandeling van het beroep woonachtig waren in de woning te [plaatsnaam]. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de weigering van de toelating van appellanten tot de maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellanten om wel toegelaten te worden.
3.
Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter ondersteuning van hun standpunt dat zij dienen te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang hebben appellanten ingezonden de “Decisions on immediate measures” van 25 oktober 2013 van het Europees Comité voor Sociale Rechten van de Raad van Europa in de zaken van de Conference of European Churches (CEC) tegen Nederland (90/2013) en van de European Federation of National Organisations working with the Homeless (FEANTSA) tegen Nederland (86/2012).
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet in geschil is dat appellanten op grond van wat is bepaald in de Wmo en de Vw geen aanspraak kunnen maken op toelating tot de maatschappelijke opvang. Appellanten hebben naar voren gebracht dat zij niettemin op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voor toelating tot opvang ingevolge de Wmo in aanmerking dienen te komen.
4.2.
In het kader van de weigering van het college om appellanten toe te laten tot de maatschappelijke opvang dient de vraag te worden beantwoord of deze weigering een schending van artikel 8 van Pro het EVRM oplevert. In dit verband stelt de Raad voorop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als de ‘‘very essence’’ van het EVRM aanmerkt, respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van Pro het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privéleven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van Pro het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime ‘‘margin of appreciation’’ toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkene. De Raad wijst in verband met dit laatste onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. vs het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05
(EHRC 2008, 91).
4.3.
De Raad acht primair van belang dat appellanten vreemdelingen zijn die ten tijde in geding niet rechtmatig in Nederland verbleven. De Raad stelt vast dat de kinderen van appellanten ten tijde van belang door hun leeftijd behoren tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van Pro het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van het privé- en gezinsleven. Het gezin is in de periode in geding feitelijk opgevangen in de door het Leger des Heils ter beschikking gestelde woning aan de [adres 2.] te [plaatsnaam], zodat zij steeds onderdak hebben gehad. De Raad is van oordeel dat onder die omstandigheden niet gezegd kan worden dat de weigering van de toelating tot de maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellanten om wel toegelaten te worden.
4.4.
Appellanten hebben voorts aangevoerd dat sprake is van schending van artikel 8 van Pro het EVRM, in verbinding met artikel 14 van Pro het EVRM. De Raad kan appellanten hierin niet volgen. In een reeks van uitspraken van 26 juni 2001(waaronder ECLI:NL:CRVB:2001:AB2277) heeft de Raad geoordeeld dat het uitgangspunt van de koppelingswetgeving in het algemeen niet op bedenkingen stuit. Daarbij sluit aan de doelstelling van de koppelingswetgeving zoals deze in de wetsgeschiedenis is neergelegd, te weten het wegnemen van de mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een verblijfstitel aanspraak te maken op uitkeringen en verstrekkingen. Deze doelstelling ondersteunt een consistent vreemdelingenbeleid, dat onder meer tot doel heeft degenen die geen toelating verkrijgen het land te doen verlaten. Daarmee is naar het oordeel van de Raad ook in overeenstemming om daar waar een noodzaak tot een uitzondering op het koppelingsbeginsel wordt aangenomen, deze uitzondering zo beperkt mogelijk te houden. De situatie van appellanten is onvoldoende vergelijkbaar met de groep(en) waarmee zij wensen te worden vergeleken, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.
4.5.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Er is daarom geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding.
5.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en
W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) K.E. Haan
JvC