ECLI:NL:CRVB:2014:3404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand vanaf datum melding na onterechte buitenbehandelingstelling aanvraag
Appellant meldde zich op 2 juli 2012 bij de gemeente wegens ziekte en het uitblijven van loon, maar werd doorverwezen naar het UWV voor een Ziektewetuitkering. Zijn gemachtigde, mr. Van Asperen, probeerde via e-mail contact te leggen en meldde meerdere malen dat appellant een aanvraag om bijstand wilde indienen, maar het college stelde deze aanvragen buiten behandeling omdat zij niet als formele aanvragen werden beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college ten onrechte de aanvraag buiten behandeling had gesteld en dat de brieven voor herstelverzuim niet aan de gemachtigde waren verzonden terwijl dit wel had moeten gebeuren. De Raad stelde vast dat appellant geen formele aanvraag had ingediend vóór 23 april 2013 en dat de e-mails niet voldeden aan het schriftelijkheidsvereiste.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en herroept het besluit van 31 mei 2013. Omdat de omstandigheden vanaf 23 april 2013 tot 11 juni 2013 niet wezenlijk verschilden van de periode daarna, kende de Raad bijstand toe vanaf 23 april 2013. Tevens werd het college veroordeeld tot schadevergoeding en proceskostenvergoeding aan appellant.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt met terugwerkende kracht toegekend vanaf 23 april 2013 en het college wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.