ECLI:NL:CRVB:2014:3451

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 oktober 2014
Publicatiedatum
24 oktober 2014
Zaaknummer
13-2632 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek heropening WAO-uitkering wegens ontbreken relevante toename beperkingen

Appellant heeft sinds 1999 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van whiplashklachten. Na intrekking van deze uitkering in 2005 wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid, verzocht appellant om heropening van de uitkering. Dit verzoek werd door het UWV afgewezen omdat binnen vijf jaar na intrekking geen onafgebroken vier weken toegenomen beperkingen waren vastgesteld die voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het oordeel van verzekeringsartsen dat geen sprake was van toegenomen beperkingen werd gevolgd. In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd en verwees naar een functionele mogelijkhedenlijst en een neuropsychologisch rapport. Het UWV betwistte echter de relevantie en actualiteit van deze medische gegevens.

De Raad oordeelde dat op grond van artikel 43a WAO de arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na intrekking moet zijn toegenomen en onafgebroken vier weken moet duren. De Raad vond geen aanknopingspunten voor een relevante toename van beperkingen en verwierp het ingebrachte rapport als onvoldoende om het medisch oordeel te weerleggen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot heropening van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

13/2632 WAO
Datum uitspraak: 24 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
25 april 2013, 12/4294 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft zich in 1999 ziek gemeld met whiplashklachten als gevolg van een
ongeval. In verband hiermee is aan appellant met ingang van 23 januari 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij besluit van 12 oktober 2005 is de arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 13 december 2005 ingetrokken, omdat appellant per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Dit besluit heeft blijkens de uitspraak van de Raad van 26 september 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BF5057) in rechte stand gehouden. In zijn uitspraak van 6 augustus 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN3780) heeft de Raad een verzoek om herziening van de uitspraak van 26 september 2008 afgewezen.
1.2.
Bij besluit van 28 februari 2012 is het verzoek van appellant om heropening van de
uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen. Bij besluit van 3 september 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 28 februari 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard omdat binnen 5 jaar na 13 december 2005 geen sprake is van onafgebroken vier weken toegenomen beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan het oordeel van de verzekeringsartsen dat geen sprake is van toegenomen beperkingen, voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan appellant een WAO-uitkering genoot.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Appellant heeft gewezen op het onderzoek dat is verricht door de adviserend arts J. Biersteker van Salude Deskundige Dienst en de door hem opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 november 2011. Appellant is van mening dat de rechtbank een neuropsychologisch onderzoek had moeten gelasten. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een rapport van Instituut Psychosofia, gedateerd 14 juni 2013, overgelegd.
3.2.
Het Uwv heeft gesteld dat appellant zijn standpunt in hoger beroep niet met geobjectiveerde medische gegevens onderbouwt. Het Uwv heeft erop gewezen dat
J. Biersteker in het BIG-register als arts is geregistreerd en niet als verzekeringsarts. Het Uwv heeft bestreden dat het rapport van Biersteker ziet op de gezondheidssituatie van appellant in de periode van 13 december 2005 tot 13 december 2010. Het Uwv heeft erop gewezen dat de arts Biersteker in zijn rapport van 24 november 2011 de ‘huidige belastbaarheid’ beschrijft.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 43a van de WAO is bepaald dat toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd, indien binnen vijf jaar na de datum van intrekking, in dit geval 13 december 2005, sprake is van arbeidsongeschiktheid en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten.
4.2.
Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een relevante toename van de beperkingen van appellant in het kader van artikel 43a van de WAO. De Raad verwijst naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 augustus 2012 en 3 december 2012, waarin voldoende is onderbouwd dat er geen objectieve medische gegevens zijn waaruit een wijziging van de belastbaarheid van appellant blijkt.
4.3.
De Raad ziet in het in hoger beroep overgelegde rapport van Psychosofia van
14 juni 2013 geen aanleiding het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor het benoemen van een deskundige.
4.4.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2014.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) A.C. Oomkens

TM