Art. 6, tweede lid, AKWArt. 8, onder a tot en met e en l, Vw 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens niet-verblijfsrecht en niet-verzekering AKW
Appellanten, ouders van een in Nederland geboren kind, vroegen kinderbijslag aan op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Hun aanvragen werden afgewezen omdat zij niet rechtmatig in Nederland verbleven en niet verzekerd waren voor de AKW. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) had uitstel van vertrek verleend aan een van de ouders, maar dit leidde niet tot een geldige verblijfsvergunning die vereist is voor verzekering.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad waarin werd geoordeeld dat het onderscheid naar verblijfsstatus in de AKW een legitiem en proportioneel doel dient. De Hoge Raad oordeelde dat het kind geen zelfstandige aanspraak op kinderbijslag heeft en dat de wetgever ruime beoordelingsvrijheid heeft op het terrein van sociale zekerheid.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellanten niet konden worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW op grond van het internationale recht. Er waren geen schrijnende omstandigheden die het koppelingsbeginsel buiten toepassing zouden moeten laten. De weigering van kinderbijslag was objectief en redelijk gerechtvaardigd.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van kinderbijslag wordt bevestigd.
Uitspraak
13/1065 AKW, 13/3631 AKW
Datum uitspraak: 31 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van
18 februari 2013, 12/2731 (uitspraak 1) en van 7 juni 2013, 13/1003 (uitspraak 2)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
[Appellant] te [woonplaats] (appellant, tezamen ook appellanten)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. J.S. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2014. De zaken zijn daar gevoegd behandeld. Voor appellanten is verschenen mr. Sprakel. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellante heeft op 20 januari 2012 kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor haar zoon [naam zoon A.], geboren [in] 2011. Deze aanvraag is door de Svb op 9 februari 2012 afgewezen, omdat appellante niet verzekerd is voor de AKW nu ze niet woont of werkt in Nederland en evenmin een geldige verblijfsvergunning heeft. In bezwaar is een aantal beslissingen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ingezonden waaruit blijkt dat appellant uitstel van vertrek tot en met 30 december 2012 heeft gekregen op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Dit leidt tot een rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder j, van de Vw 2000. De IND heeft laten weten dat een beschikking ex artikel 64 vanPro de Vw 2000 weliswaar persoonsgebonden is, maar dat een gescheiden uitzetting niet aan de orde is, zodat in feite het hele gezin rechtmatig in Nederland verblijft. Het bezwaar is bij beslissing van 4 mei 2012 (besluit 1) ongegrond verklaard. Hierbij is gemeld dat de echtgenoot van appellante (appellant) wel verzekerd is en dat de Svb hem een aanvraagformulier zal toezenden.
1.2.
Appellant heeft vervolgens op 22 juni 2012 een aanvraag om kinderbijslag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 30 juli 2012 afgewezen omdat appellant niet in Nederland woont of werkt en evenmin over een geldige verblijfsvergunning beschikt, zodat hij niet verzekerd is voor de AKW. Het bezwaar hiertegen is bij beslissing van 8 februari 2013 (besluit 2) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft de beroepen in beide zaken ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7740). De Hoge Raad heeft hierin overwogen dat het in artikel 6, tweede lid, van de AKW gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus een legitiem doel dient en in een redelijke en proportionele verhouding staat tot dat legitieme doel, zodat voor dat onderscheid een toereikende rechtvaardiging bestaat. Hierbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het onderscheid niet hoeft te worden gerechtvaardigd door zeer gewichtige redenen, maar dat bepalend is of een dergelijk onderscheid wordt gerechtvaardigd door toereikende argumenten. In dat kader heeft de Hoge Raad onder meer van belang geacht dat het voorwerp van geschil de sociale zekerheid betreft, op welk gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Voor de rechtvaardiging van de uitsluiting van bepaalde groepen vreemdelingen van het recht op kinderbijslag heeft de Hoge Raad, naast de (legitieme) doelstelling van de koppelingswetgeving, verder van betekenis geacht dat bij de ouders een eigen verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen rust, waarbij kinderbijslag slechts is bedoeld als ondersteuning in de kosten daarvan en niet behoort tot de sociale voorzieningen die tot doel hebben te verhinderen dat gezinnen met kinderen onder het bestaansminimum leven. Hoewel het kind in zekere zin een eigen belang heeft bij de uitkering, heeft het geen zelfstandige aanspraak op kinderbijslag, evenmin resulteert het eigen belang van het kind in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag. De Hoge Raad heeft de omstandigheid dat een betrokkene met medeweten van de Staat langdurig in Nederland verblijft en door dit verblijf met zijn gezin een bepaalde band met de Nederlandse samenleving heeft kunnen opbouwen, in zijn beoordeling niet relevant geacht. Ook indien de band van de betrokkenen met Nederland zo sterk is geworden dat zij, naar de omstandigheden beoordeeld, hier te lande wonen in de zin van artikel 3 vanPro de AKW, is volgens de Hoge Raad geen sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding kan geven om een nuancering aan te brengen op het oordeel dat het onderhavige onderscheid gerechtvaardigd is. Ook het bepaalde in het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind leidt niet tot een ander oordeel.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
In artikel 6, tweede lid, van de AKW is het volgende bepaald:
“Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000.”
3.2.
Niet in geding is dat appellanten ten tijde in geding niet als verzekerde ingevolge het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de AKW kunnen worden aangemerkt, nu zij niet in het bezit waren van een verblijfstitel als daar genoemd. Wel is in geschil of uit het internationale recht kan worden afgeleid dat appellanten niet mogen worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW, op de grond dat zij niet beschikken over een verblijfstitel als genoemd in artikel 6, tweede lid, van de AKW. Hierbij hebben appellanten met name aangevoerd dat de Svb de belangen van het in Nederland geboren kind van hen onvoldoende heeft meegewogen in de besluitvorming.
3.3.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012 en de uitspraak van de Raad van 5 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:994) in een met de onderhavige gedingen vergelijkbare zaak kan het hoger beroep van appellanten niet slagen. Van dusdanige schrijnende omstandigheden dat deze in het geval van appellanten zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel, is niet gebleken. Uitgaande van de door de Hoge Raad geformuleerde toetsingsmaatstaf en (het gewicht van) de daarbij in overweging genomen belangen, kan niet worden gezegd dat de weigering van kinderbijslag aan appellanten op grond van hun verblijfsstatus een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbeert.
4. Gezien het onder 3.1 tot en met 3.3 overwogene dienen de aangevallen uitspraken bevestigd te worden.
5. Er is geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en J.J.T. van den Corput en
E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2014.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) W. de Braal
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.