ECLI:NL:CRVB:2014:3595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet-wonen op opgegeven adres
Appellant heeft bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en opgegeven dat hij samen met zijn partner en kind woonde op een specifiek adres. Na ontdekking van een hennepkwekerij in de woning en het uitblijven van inkomsten, heeft het college een onderzoek ingesteld, waaronder een onaangekondigd huisbezoek. Dit leidde tot het besluit de aanvraag af te wijzen omdat appellant niet op het opgegeven adres woonde en niet voldeed aan zijn inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had. De staat van de woning, het ontbreken van persoonlijke bezittingen en de bevindingen tijdens het huisbezoek ondersteunden zijn stelling niet. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) leidend zou moeten zijn en dat de rechtbank onzorgvuldig had gemotiveerd.
De Raad oordeelde dat de bewijslast voor bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager rust en dat de woonplaats moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waarbij de inschrijving in de GBA niet doorslaggevend is. De bevindingen tijdens het huisbezoek en de verklaring van appellant dat hij wisselend bij vrienden verbleef, maakten duidelijk dat hij niet op het opgegeven adres woonde. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag omdat appellant niet op het opgegeven adres woonde.