ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- W. van den Brink
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Geen afwijzing bijstandsaanvraag op basis van afwijkend GBA-adres zonder nadere toetsing
Appellant vroeg bijstand aan bij het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Hoewel hij was ingeschreven in de GBA op een adres, gaf hij aan feitelijk op een ander adres te verblijven. Het College wees de aanvraag af wegens onjuiste informatie over de woonsituatie en handhaafde dit besluit in bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het College niet volstaan kon met de constatering van het verschil tussen GBA-adres en feitelijk woonadres zonder nadere toetsing, bijvoorbeeld door huisbezoek. De Raad overwoog dat artikel 40 WWB Pro het recht op bijstand koppelt aan de woonplaats, waarbij het GBA-adres geen doorslaggevende betekenis heeft. Bovendien ziet artikel 40, derde en vierde lid, WWB op lopende uitkeringen en niet op aanvragen.
De Raad oordeelde dat het College geen beleidsregel kan hanteren die afwijzing op grond van een afwijkend GBA-adres voorschrijft zonder voldoende wettelijke grondslag. Het College moet in dergelijke gevallen nader onderzoek doen naar de feitelijke woonsituatie. De aangevallen uitspraak werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het College moet een nieuw besluit nemen met nader onderzoek naar het feitelijke woonadres.