ECLI:NL:CRVB:2014:3686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- M.C.D. Embregts
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en rechtmatigheid huisbezoek
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de gemeente een onderzoek naar haar woonsituatie, waarbij onder meer een huisbezoek aan het uitkeringsadres plaatsvond. Appellante tekende verklaringen waarin zij stelde sinds 2009 niet meer op het uitkeringsadres te wonen, maar bij haar partner. Later trok zij deze verklaringen deels in en vroeg opnieuw bijstand aan.
Het college trok de bijstand met ingang van 3 juli 2012 in wegens schending van de inlichtingenverplichting, omdat appellante niet had gemeld dat zij niet meer op het uitkeringsadres woonde. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en bevestigde dit besluit. Appellante ging in hoger beroep en voerde onder meer aan dat de verklaringen onvrijwillig waren en dat het huisbezoek onrechtmatig was.
De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde en dat zij gehouden kon worden aan haar verklaringen. De toestemming voor het huisbezoek was vrijwillig en gebaseerd op volledige informatie ('informed consent'). Er was een redelijke grond voor het huisbezoek vanwege concrete aanwijzingen dat appellante niet op het uitkeringsadres verbleef. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en de rechtmatigheid van het huisbezoek wordt bevestigd.