ECLI:NL:CRVB:2014:3697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 11 juli 2012 waarin werd vastgesteld dat hij met ingang van 9 juli 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat hij volledig of meer dan 35% arbeidsongeschikt was. Tevens stelde hij dat de geselecteerde functies ongeschikt waren vanwege fysieke belasting en werkdruk. Het UWV verdedigde het besluit en vroeg bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
De Raad oordeelde dat de gronden van appellant grotendeels herhaling waren van eerdere bezwaren die door de rechtbank terecht waren verworpen. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep was goed gemotiveerd. Het arbeidsdeskundig rapport werd niet als medisch rapport aangemerkt en wijzigde de beoordeling niet.
De Raad bevestigde dat een WSW-indicatie niet direct bepalend is voor de WIA-uitkering, en dat appellant onvoldoende had gemotiveerd dat hij minder belastbaar was dan vastgesteld. De geselecteerde functies waren passend en er was voldoende informatie om een verantwoord oordeel te geven. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.