ECLI:NL:CRVB:2013:2585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft zich ziek gemeld vanwege rug- en psychische klachten en was gedeeltelijk werkzaam met een WSW-indicatie. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische stukken geen aanleiding gaven om te twijfelen aan de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en de WSW-indicatie niet doorslaggevend is voor de WIA-beoordeling.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en overhandigde aanvullende WSW-documenten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische gegevens voldoende waren om de belastbaarheid te beoordelen en dat de FML correct was vastgesteld. De WSW-indicatie kon geen directe betekenis krijgen voor de WIA-uitkering, en de oudere WSW-documenten waren niet relevant voor de situatie per 14 februari 2011.
De Raad concludeerde dat de functies die appellant kon vervullen medisch passend waren en dat het hoger beroep ongegrond was. De eerdere uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van een WIA-uitkering wordt bevestigd.