Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:375

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 februari 2014
Publicatiedatum
11 februari 2014
Zaaknummer
12-5649 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WWBArt. 13 WWBArt. 16 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens overschrijding verblijf buitenland zonder acute noodsituatie

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Wageningen trok de bijstand met ingang van 8 november 2011 in, omdat appellante langer dan de toegestane dertien weken in het buitenland verbleef. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege een ernstige malaria-aanval en ziekenhuisopname in Kameroen niet in staat was tijdig terug te keren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten voor een acute noodsituatie zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij vóór 8 november 2011 niet kon terugreizen. Zij verbleef na ontslag vier dagen in het ziekenhuis en daarna bij familie, en was na twee weken weer in staat activiteiten te verrichten.

Daarmee was geen sprake van zeer dringende redenen die het verlenen van bijstand onvermijdelijk maakten. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Arnhem die het beroep ongegrond verklaarde. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat geen sprake was van een acute noodsituatie.

Uitspraak

12/5649 WWB
Datum uitspraak: 11 februari 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 september 2012, 12/3054 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Wageningen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.T.G. van Engelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 13/684 WWB, plaatsgevonden op
10 december 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Engelen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.M.J. Borgart en mr. M.M.A. Rijnders. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 15 november 2011, voor zover van belang, en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
14 mei 2012 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van
8 november 2011 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante met ingang van 8 november 2011 langer dan de voor haar toegestane duur van dertien weken in het buitenland heeft verbleven. Vanaf die datum heeft appellante geen recht op bijstand. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB doen zich niet voor.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat in haar geval sprake is van zeer dringende redenen als hiervoor bedoeld, zodat het college genoodzaakt was bijstand te verlenen. Daartoe heeft appellante, samengevat en onder verwijzing naar een aantal medische gegevens, naar voren gebracht dat zij tijdens haar verblijf in Kameroen een ernstige malaria-aanval had gekregen, dat ze in verband daarmee vanaf 18 oktober 2011 vier dagen in het ziekenhuis heeft gelegen en dat ze na ontslag uit het ziekenhuis medicatie moest slikken, op 27 november 2011 voor controle terug moest komen en pas op 17 december 2011 een vlucht naar Nederland kon boeken.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 8 november 2011 tot en met 15 november 2011, de datum van het intrekkingsbesluit (beoordelingsperiode).
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de beoordelingsperiode niet in Nederland verbleef en dat zij vanaf 8 november 2011 langer dan de voor haar toegestane duur in het buitenland verbleef. Evenmin is in geschil dat op grond van het bepaalde in de artikelen 11 en 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB appellante in de beoordelingsperiode geen recht op bijstand had. In geschil is of appellante tijdens de beoordelingsperiode in verband met het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de WWB recht op bijstand had.
4.3.
Voor zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 1 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6576) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch- of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.
4.4.
De door appellante overgelegde medische gegevens bieden geen aanknopingspunten voor het bestaan van een acute noodsituatie en/of levensbedreigende omstandigheden en duiden evenmin op een absoluut beletsel om tijdig terug te reizen naar Nederland. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij na haar ziekenhuisopname in Kameroen op 18 oktober 2011 in verband met malaria niet in staat was vóór 8 november 2011 naar Nederland terug te reizen. Appellante heeft ter zitting verklaard dat zij na die ziekenhuisopname van vier dagen bij haar familie thuis heeft verbleven en verzorgd is. Na twee weken was zij weer in staat wat te doen. Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB was dan ook geen sprake.
4.5.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaat. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2014.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) T.A. Meijering

HD