ECLI:NL:CRVB:2014:3851
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag bij ontbreken geldige verblijfsvergunning
Appellante, van Ghanese nationaliteit, kreeg aanvankelijk kinderbijslag toegekend na de geboorte van haar dochter in 2009. De Sociale Verzekeringsbank beëindigde het recht op kinderbijslag per het derde kwartaal van 2012 vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad waarin vergelijkbare internationaalrechtelijke bepalingen werden beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de belangen van haar kind onvoldoende waren meegewogen en dat de weigering in strijd was met diverse verdragsrechtelijke bepalingen, waaronder het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). De Raad overwoog dat het nationale recht geen recht op kinderbijslag verleent zonder geldige verblijfsvergunning en dat internationale verdragsbepalingen dit niet wijzigen.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin werd vastgesteld dat het beroep op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en andere verdragen niet tot een andere uitkomst leidt. Er waren geen schrijnende omstandigheden die het koppelingsbeginsel buiten toepassing zouden laten. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het recht op kinderbijslag wordt geweigerd wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning.