ECLI:NL:CRVB:2014:3876
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand met terugwerkende kracht bij niet tijdig indienen aanvraag
Appellant ontving eerder bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), maar deze werd beëindigd. Nadat appellant zich op 19 oktober 2011 meldde om bijstand aan te vragen, werd hij ten onrechte afgehouden van het indienen van een aanvraag. Later, op 15 maart 2012, diende appellant opnieuw een aanvraag in die met terugwerkende kracht vanaf die datum werd toegekend.
Het college verklaarde het bezwaar tegen deze toekenning ongegrond en de rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend vanaf de eerdere meldingsdatum.
De Raad oordeelt dat volgens vaste rechtspraak geen recht bestaat op bijstand vóór de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Hoewel appellant ten onrechte werd afgehouden, heeft hij niet zo spoedig mogelijk na die datum een aanvraag ingediend, ondanks advies en mogelijkheden om hulp te vragen bij medewerkers op het Werkplein. Digitale problemen bij het indienen van de aanvraag rechtvaardigen dit niet, omdat appellant zich had kunnen melden bij medewerkers. Daarom zijn er geen bijzondere omstandigheden die bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen en wordt het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd; geen bijstand met terugwerkende kracht.