ECLI:NL:CRVB:2014:3987
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstand wegens verblijf in buitenland onterecht bij weekendverblijf in België
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verbleef elk weekend in België bij zijn partner en kinderen. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag herzag de bijstand voor de jaren 2010, 2011 en 2012 en vorderde terugbetaling omdat appellant langer dan vier weken per jaar in het buitenland verbleef.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat bijstand niet wordt toegekend bij verblijf langer dan vier weken per jaar in het buitenland, ook niet voor bezoek aan kinderen. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij van maandag tot zaterdagochtend in Nederland werkte en slechts in het weekend kort verbleef in België, waardoor de uitsluiting van bijstand onterecht was.
De Raad oordeelde dat het verblijf in het buitenland in het weekend niet in strijd is met de doelstellingen van de WWB, namelijk arbeidsinschakeling en controle op rechtmatigheid. Daarom was de toepassing van artikel 13, lid 1, onder e, WWB onjuist en werd het besluit tot herziening en terugvordering vernietigd. Het college moet een nieuwe berekening maken voor terugvordering op basis van overige inkomsten en vermogen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering wegens verblijf in het buitenland wordt vernietigd.