ECLI:NL:CRVB:2014:4005
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- F. Hoogendijk
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot mede-terugvordering bijstand bij gezamenlijke huishouding
M ontving sinds 2004 bijstand als alleenstaande ouder. Appellant en M hebben drie kinderen en stonden op verschillende adressen ingeschreven. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de sociale recherche een onderzoek naar mogelijke gezamenlijke huishouding, waarbij diverse onderzoeken en observaties plaatsvonden. Het college besloot de bijstand van M in te trekken en de kosten terug te vorderen, mede van appellant, omdat zij een gezamenlijke huishouding zouden voeren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de mede-terugvordering ongegrond. In hoger beroep betwist appellant de feitelijke grondslag voor gezamenlijke huishouding en stelt dat artikel 59 WWB Pro onjuist is toegepast, omdat hij meer verdiende dan de bijstandsnorm in de relevante periode.
De Raad verwierp het verweer dat terugvordering niet mogelijk is bij een inkomen boven de bijstandsnorm en bevestigde dat terugvordering zich uitstrekt tot personen met wie een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. De Raad oordeelde dat appellant vanaf 1 februari 2012 een gezamenlijke huishouding met M voerde, maar niet daarvoor. Hierdoor is mede-terugvordering alleen mogelijk voor de periode vanaf die datum.
De aangevallen uitspraak werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze bevindingen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de mede-terugvordering van bijstand.