ECLI:NL:CRVB:2013:CA3570
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Medeterugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding bevestigd
Betrokkene en [getuige] waren gehuwd en uit hun huwelijk is een kind geboren. Na echtscheiding bleef betrokkene in de echtelijke woning wonen, terwijl [getuige] op een ander adres stond ingeschreven. De sociale recherche vermoedde dat zij gezamenlijk een huishouden voerden en startte een onderzoek, dat leidde tot intrekking en terugvordering van de bijstand aan [getuige], mede van betrokkene.
De rechtbank vernietigde het besluit deels en oordeelde dat artikel 59, tweede lid, van de WWB niet van toepassing was vanwege het inkomen van betrokkene. De Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel en bevestigt dat de medeterugvordering terecht is, omdat betrokkene en [getuige] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren, waardoor het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding geldt.
De Raad oordeelt dat het nadere besluit van het bestuur, genomen ter herstel van een bevoegdheidsgebrek, rechtsgeldig is genomen en dat betrokkene voldoende gelegenheid heeft gehad haar standpunt naar voren te brengen. De Raad wijst het beroep tegen het nadere besluit af en veroordeelt het bestuur in de proceskosten van betrokkene.
Ook de vaststelling van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek van betrokkene tot vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen omdat de medeterugvordering in stand blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de medeterugvordering van bijstand aan betrokkene en verklaart het beroep tegen het nadere besluit ongegrond.