Appellant, werkzaam als postsorteerder, meldde zich ziek wegens rugklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV verklaarde hem hersteld en beëindigde de uitkering per 1 maart 2012, omdat hij niet langer ongeschikt zou zijn voor zijn eigen arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn werk zwaarder was dan door het UWV aangenomen en dat hij vanwege zijn rugafwijking en het ontbreken van een getraind spierkorset niet geschikt was voor zijn functie. De Raad onderzocht de medische rapporten en het arbeidsdeskundig onderzoek en concludeerde dat het UWV ten onrechte de rugafwijking niet als ziekte of gebrek aanmerkte.
De Raad oordeelde dat het standpunt van het UWV dat appellant door zijn rugafwijking en onvoldoende getraind spierkorset niet geschikt was voor zijn arbeid, niet kon leiden tot beëindiging van de uitkering omdat dit niet als ziekte of gebrek werd erkend. De uitkering was daarom ten onrechte beëindigd. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de uitkering herroepen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en kosten.