ECLI:NL:CRVB:2014:4089
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking bijstand zonder spoedeisend belang
Verzoeker heeft bijstand aangevraagd en ontvangen over de periode van 1 maart 2012 tot 18 februari 2013. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover de bijstand werd toegekend tot 18 februari 2013. Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Verzoeker vroeg een voorlopige voorziening aan vanwege het uitblijven van bijstandsbetalingen vanaf 18 februari 2013, stellende dat hij hierdoor in ernstige financiële problemen zou raken. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoeker in januari en augustus 2014 nabetalingen had ontvangen en momenteel inkomsten uit arbeid geniet die gelijk zijn aan of boven de bijstandsnorm.
Verder was niet aannemelijk gemaakt dat er in de periode van 18 februari 2013 tot aanvang van de werkzaamheden zodanige schulden waren ontstaan dat sprake was van een ernstige financiële noodsituatie. Ook was geen ander spoedeisend belang gesteld. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en een spoedeisend belang.