ECLI:NL:CRVB:2014:4093

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 december 2014
Publicatiedatum
9 december 2014
Zaaknummer
14-208 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij griffierecht WWB-zaken

De zaak betreft een verzetprocedure tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in een WWB-zaak. Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, maar het griffierecht was niet tijdig betaald, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.

Appellant diende vervolgens verzet in tegen deze beslissing, maar dit verzetschrift werd te laat ingediend, namelijk na de wettelijke termijn van zes weken. Appellant voerde bijzondere omstandigheden aan, zoals het stilleggen van procedures en de benoeming van een mediator, alsmede de grote hoeveelheid procedures die hij moest voeren.

De Raad oordeelde echter dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat deze omstandigheden de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten. Zonder nadere toelichting kon niet worden vastgesteld waarom appellant niet tijdig verzet kon indienen.

Daarom werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 9 december 2014.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 december 2014
14/208 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 januari 2014, 13/355 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats](appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 20 mei 2014 (14/208 WWB) heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 oktober 2014. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 20 mei 2014, verzonden op 20 mei 2014, berust hierop dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de daartoe gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
De Raad ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of het verzet ontvankelijk is.
Het door appellant ingediende verzetschrift is gedateerd 25 juli 2014 en is op 29 juli 2014 door de Raad ontvangen. De termijn voor het indienen van een verzetschrift van zes weken is dus overschreden.
Appellant heeft in zijn verzetschrift opgemerkt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor hij niet eerder in de gelegenheid was verzet te doen. Deze bijzondere omstandigheden waren volgens appellant dat procedures in de pauzestand zijn gezet en dat er een mediator is benoemd, alsmede de te grote hoeveelheid procedures die hij in eerste aanleg en in hoger beroep moet voeren. Deze procedures zijn veroorzaakt door het college respectievelijk de rechter in eerste aanleg, aldus appellant. Hiermee heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van een verzetschrift verschoonbaar is. Zonder nadere toelichting - die ontbreekt- valt immers niet in te zien dat en waarom deze omstandigheden in de weg hebben gestaan aan het tijdig indienen van een verzetschrift, al dan niet op nader aan te voeren gronden.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en
P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2014.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) M.R. Schuurman

HD