Appellant was naast zijn hoofdwerkzaamheden ook werkzaam als oproepkracht en lid van de vrijwillige brandweer, maar gaf deze nevenwerkzaamheden niet door aan het UWV. Hierdoor werd zijn WW-uitkering onterecht te hoog vastgesteld en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad vernietigt deze uitspraak en het eerdere besluit van het UWV. De Raad oordeelt dat het UWV het gemiddeld aantal arbeidsuren per week op juiste gronden heeft vastgesteld aan de hand van de polisadministratie over 26 weken voorafgaand aan de werkloosheid.
Appellant voerde aan dat zijn onregelmatige arbeidspatroon een jaarbeoordeling vereiste, maar de Raad stelt dat de WW-uitkering per week wordt vastgesteld en de berekening per week terecht is gemaakt. De opgelegde boete wegens het niet doorgeven van werkzaamheden is evenredig. Het beroep tegen het gewijzigde besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard, maar appellant kan aanvullende gegevens aanleveren voor heroverweging.