Uitspraak
mr. A. van der Weerd en mr. drs. A. Slovacek.
OVERWEGINGEN
2 november 2012 (bestreden besluit).
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds februari 2009 een AOW-pensioen met partnertoeslag. In november 2009 ontving zijn partner een afkoopsom van het ouderdomspensioen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag daarop de toeslag en vorderde te veel betaalde bedragen terug, met een waarschuwing wegens niet tijdig voldoen aan de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep betoogt appellant dat de afkoopsom ten onrechte is betrokken bij de berekening van de partnertoeslag. De Raad overweegt dat de afkoopsom als inkomen in verband met arbeid moet worden gezien en in principe verrekend moet worden, maar dat dit tot een kennelijk onredelijk resultaat kan leiden. De Raad benadrukt dat de afkoopsom volgens de Pensioenwet bestemd is voor de periode ná het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
De Raad wijst op parlementaire stukken waaruit blijkt dat het kabinet en parlement de verrekening onwenselijk vinden en voornemens zijn de uitbetaling van de afkoopsom pas na de pensioengerechtigde leeftijd te laten plaatsvinden. Gelet hierop en eerdere jurisprudentie concludeert de Raad dat toerekening van de afkoopsom aan een maand vóór de pensioengerechtigde leeftijd leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat. De Svb wordt opgedragen het besluit te herzien met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: De Svb wordt opgedragen het besluit te herzien en de afkoopsom pensioen niet te verrekenen met de partnertoeslag vóór de pensioengerechtigde leeftijd.