Uitspraak
mr. A. van der Weerd en mr. drs. A. Slovacek.
OVERWEGINGEN
2 april 2013 (bestreden besluit).
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2008 een AOW-pensioen met partnertoeslag. In 2010 ontving zijn partner een afkoopsom van het pensioenfonds. De Sociale verzekeringsbank (Svb) verrekende deze afkoopsom met de partnertoeslag, wat leidde tot een terugvordering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
De Raad overweegt dat de afkoopsom als overig inkomen moet worden gezien en in beginsel verrekend moet worden met de toeslag. Echter, het beleid van de Svb omtrent kennelijk onredelijke resultaten is vooral gericht op incidentele betalingen zoals eindejaarsuitkeringen, terwijl een afkoopsom een ander karakter heeft.
De Pensioenwet bepaalt dat ouderdomspensioen kan worden afgekocht vóór de pensioengerechtigde leeftijd, maar parlementaire stukken tonen aan dat verrekening van afkoopsommen met toeslagen onwenselijk is. De Raad stelt dat de afkoopsom bedoeld is voor de periode ná de pensioengerechtigde leeftijd, en toerekening aan een maand vóór die leeftijd leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat.
De Raad draagt de Svb op binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen die hiermee rekening houdt, omdat de Raad zelf niet bevoegd is om in de zaak te voorzien.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep draagt de Sociale verzekeringsbank op om het besluit op bezwaar te herzien en rekening te houden met het kennelijk onredelijke resultaat van de verrekening van de afkoopsom.