ECLI:NL:CRVB:2014:4194
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- R.E. Bakker
- Rechtspraak.nl
Beëindiging loongerelateerde WGA-uitkering na medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant ontving vanaf 11 januari 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Het UWV beëindigde deze uitkering per 29 maart 2009 en later ook de WGA-loonaanvullingsuitkering per 21 augustus 2011, omdat medisch en arbeidskundig onderzoek uitwees dat appellant niet langer arbeidsongeschikt was.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het UWV niet objectief had gehandeld en dat hij vanwege zijn lichamelijke en psychische beperkingen de geduide functies niet kon vervullen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat er wel beperkingen waren, maar dat deze niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leidden dan 28,77%, wat onvoldoende was voor een uitkering.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het fraudeonderzoek uit 2009 geen invloed had gehad op de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid. Ook in hoger beroep werden deze conclusies onderschreven. De Raad stelde vast dat appellant geen nieuwe medische gegevens had ingebracht die aanleiding gaven tot twijfel aan de juistheid van het besluit en bevestigde daarom de eerdere uitspraak.
Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 december 2014.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de loongerelateerde WGA-uitkering per 21 augustus 2011.