ECLI:NL:CRVB:2014:4227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, viel uit op 6 november 2010 vanwege arm- en schouderklachten. Het UWV stelde op 23 oktober 2012 vast dat zij per 5 november 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. Het bezwaar werd op 13 december 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische en arbeidskundige beoordelingen geen aanleiding gaven tot twijfel over haar belastbaarheid en geschiktheid voor de voorgelegde functies.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar beperkingen, onder meer vanwege een rapport van een orthopedagoog die een forse verstandelijke beperking constateerde. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de orthopedagoog geen nieuwe inzichten bood die het eerdere oordeel konden wijzigen. De Raad nam daarbij mee dat appellante geruime tijd had gefunctioneerd op de arbeidsmarkt.
Verder stelde de Raad vast dat appellante, ondanks de gestelde opleidingseis, voldoende kwalificaties en werkervaring had om de voorgelegde eenvoudige functies te vervullen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.