ECLI:NL:CRVB:2014:4247
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.C.R. Schut
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens te snelle intering op vermogen en ingangsdatum bijstand
Appellant vroeg bijstand aan met een gewenste ingangsdatum van 7 september 2011, maar het college stelde de ingangsdatum vast op 1 april 2012 omdat het vermogen van appellant tot die datum boven de vermogensgrens lag. Appellant stelde dat het vermogen bestond uit een lening van zijn ouders, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt omdat de akte van lening achteraf was opgesteld en de bankafschriften de stortingen aanvankelijk als studiebijdrage vermeldden.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een schuld aan zijn ouders en dat de terugbetalingsverplichting onvoldoende strikt was. De Raad onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat het vermogen terecht als zodanig is aangemerkt. Omdat appellant door te snelle intering op zijn vermogen eerder een beroep op bijstand deed dan volgens de interingsnorm, was een verlaging van de bijstand met 20% voor twee maanden terecht.
De Raad concludeert dat appellant niet zonder verwijt is en dat het college in voor appellant gunstige zin heeft afgeweken van de standaardduur van drie maanden naar twee maanden verlaging. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstand is terecht op 1 april 2012 gesteld en de verlaging van de bijstand met 20% voor twee maanden is bevestigd.