ECLI:NL:CRVB:2014:4248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens vermeende gezamenlijke huishouding onterecht
Appellante, van Britse nationaliteit, vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college wees de aanvraag af omdat zij geen verblijfstitel had die recht gaf op bijstand. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep veranderde het college haar standpunt en stelde dat de afwijzing terecht was omdat appellante en D. een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor appellante geen zelfstandig recht op bijstand had.
De Raad oordeelde dat de rechtbank het beroep ten onrechte ongegrond had verklaard en vernietigde de uitspraak. De Raad stelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de wederzijdse zorg tussen appellante en D. Het enkel betalen van een laag kostgeld door D. aan appellante is onvoldoende om van een gezamenlijke huishouding te spreken. Ook het onvolledig invullen van een vragenlijst door appellante rechtvaardigde niet de afwijzing zonder nader onderzoek.
De Raad bepaalde dat het college een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van deze uitspraak en veroordeelde het college in de proceskosten van appellante. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen niet in stand blijven omdat het college onvoldoende heeft onderzocht of sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd en het college moet een nieuwe beslissing nemen.