ECLI:NL:CRVB:2018:2411
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet als alleenstaande. Na een onderzoek van de gemeente Den Haag bleek dat appellant sinds 24 april 2015 samenwoonde met [X] op hetzelfde adres. De gemeente trok de bijstand over de periode 24 april 2015 tot en met 31 januari 2016 in en vorderde de kosten terug, omdat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betwistte appellant dat sprake was van wederzijdse zorg, een vereiste voor gezamenlijke huishouding volgens de Participatiewet. De Raad oordeelde dat de onderzoeksresultaten voldoende grondslag boden om wederzijdse zorg aan te nemen, zoals het gebruik van elkaars woninginrichting, gezamenlijke schoonmaak, boodschappen doen en gebruik van elkaars voorzieningen.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in proceskosten. De uitspraak is gedaan door M. Hillen en uitgesproken op 7 augustus 2018.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.