ECLI:NL:CRVB:2014:4255

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2014
Publicatiedatum
16 december 2014
Zaaknummer
14-882 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep wegens gebrek aan procesbelang bij bijzondere bijstand

Appellanten vroegen bijzondere bijstand aan voor kosten van cartridges, papier en aangetekend verzenden. Het college stelde de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling en herroept dit besluit later, waarna de aanvraag werd afgewezen. Appellanten maakten bezwaar tegen het eerste besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het besluit was herroepen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen dit niet-ontvankelijkheidsbesluit ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat zij onnodig kosten hadden moeten maken door het indienen van het bezwaar. De Raad oordeelde dat er geen procesbelang is omdat appellanten niet vooraf om vergoeding van de kosten hadden verzocht, zoals vereist is volgens de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een veroordeling in proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 december 2014.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 december 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
31 december 2013, 13/3490 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] (appellant) en [Appellante] te [woonplaats](appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas (college)
PROCESVERLOOP
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Appellanten zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F. van de Vlekkert.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 7 december 2011 heeft het college de aanvraag van appellanten van
8 november 2011 om bijzondere bijstand in de kosten van een cartridge, papier en het aangetekend verzenden van stukken buiten behandeling gesteld. Bij besluit van
8 december 2011 heeft het college het besluit van 7 december 2011 herroepen en de aanvraag van appellanten afgewezen.
1.2.
Bij besluit van 14 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaarschrift tegen het besluit van 7 december 2011 niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten geen belang meer hebben bij een beoordeling van het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2011 omdat dit besluit is herroepen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het is vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van
13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8633, dat sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
4.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij onnodig gedwongen waren om een bezwaarschrift in te dienen tegen het besluit van 7 december 2011 en daarom kosten hebben moeten maken. Hierin is in dit geval geen procesbelang gelegen. Uit de gedingstukken volgt dat appellanten niet - zoals wel is vereist in artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht - hebben verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar voordat het college op het bezwaar heeft beslist.
4.3.
Uit 4.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2014.
(getekend) C. van Viegen
(getekend) O.P.L. Hovens

MK