ECLI:NL:CRVB:2014:4321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-uitkering wegens samenwoning niet aangetoond
Appellant heeft op 1 januari 2010 een AOW-pensioen aangevraagd en aangegeven samen te wonen met een partner jonger dan 65 jaar. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem vanaf maart 2010 een AOW-pensioen toe van 64% van het maximale bedrag voor samenwonenden. Na ontvangst van een levensbewijs in april 2011, waarin appellant aangaf alleenstaand te zijn, herzag de Svb het pensioen met ingang van april 2011 naar het alleenstaande tarief en betaalde een nabetaling toe.
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening met ingang van april 2011 en stelde dat hij nooit duurzaam samenwoonde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de Svb terecht uitging van samenwoning tot april 2011. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, maar slaagde er niet in aan te tonen dat hij nooit samenwoonde.
De Raad overweegt dat op grond van artikel 17 lid 3 AOW Pro de herziening van het pensioen bij verhoging ingaat op de eerste dag van de maand waarin de wijziging van omstandigheden plaatsvond. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij eerder alleenstaand was dan april 2011. Daarom bevestigt de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De herziening van de AOW-uitkering met ingang van april 2011 wordt bevestigd omdat appellant niet heeft aangetoond dat hij eerder alleenstaand was.