ECLI:NL:CRVB:2014:4324

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 december 2014
Publicatiedatum
19 december 2014
Zaaknummer
11-1429 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WajongArt. 10 AAWArt. 7:12 AwbArtikel XXIV Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Berekening Wajong-uitkering en toepassing Invoeringswet nieuwe arbeidsongeschiktheidsregelingen

Betrokkene, die sinds 1990 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving op grond van de AAW, verzocht in 2009 om herberekening van zijn Wajong-uitkering naar de grondslag van het minimumloon. Het UWV wees dit verzoek af, omdat volgens artikel XXIV van de Invoeringswet de individuele grondslag bleef gelden. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering.

In hoger beroep stelde het UWV dat artikel XXIV van de Invoeringswet geen aanknopingspunten biedt voor een berekening op basis van het minimumloon en dat de individuele grondslag van toepassing blijft. De Centrale Raad oordeelde dat de overgangsregeling in artikel XXIV juist bepaalt dat voor betrokkene de bepalingen van de AAW met betrekking tot de individuele grondslag onverkort blijven gelden.

De Raad legde uit dat het vierde lid van artikel XXIV van de Invoeringswet, waarin artikel 7 van Pro de Wajong wordt genoemd, niet betekent dat de uitkering voor iedereen naar het minimumloon moet worden berekend. De samenhang met het tweede lid verduidelijkt dat alleen bepaalde bepalingen van de AAW zijn vervangen door die van de Wajong. De Raad vernietigde daarom de eerdere uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak vernietigd; de uitkering blijft berekend op individuele grondslag.

Uitspraak

11/1429 WAJONG
Datum uitspraak: 19 december 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
4 januari 2011, 10/250 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. Betrokkene is niet verschenen.
Het onderzoek is heropend na de zitting.
Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts. Betrokkene is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 23 juli 1993 heeft appellant betrokkene met ingang van 1 mei 1990 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Deze uitkering is gebaseerd op een individuele grondslag van f 12,81. Op grond van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Invoeringswet) is de AAW-uitkering van betrokkene per
1 januari 1998 van rechtswege omgezet in een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
1.2.
Betrokkene heeft op 5 oktober 2009 verzocht zijn Wajong-uitkering te berekenen naar de (algemene) grondslag van het minimumloon als bedoeld in artikel 7 van Pro de Wajong. Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft appellant geweigerd de grondslag waarnaar de Wajong-uitkering wordt berekend te wijzigen. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 februari 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 21 oktober 2009 ongegrond verklaard. Appellant heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat betrokkene over de periode 1 mei 1990 tot 5 oktober 2009 geen nieuw feit of veranderde omstandigheid heeft aangevoerd. Voor de periode vanaf 5 oktober 2009 heeft appellant gesteld dat het bepaalde in artikel XXIV van de Invoeringswet geen aanknopingspunten biedt om de uitkering van betrokkene te berekenen naar de grondslag van artikel 7 van Pro de Wajong.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het standpunt van appellant ten aanzien van de periode voorafgaand aan het verzoek van 5 oktober 2009 onderschreven. Ten aanzien van de periode vanaf 5 oktober 2009 heeft de rechtbank echter geoordeeld dat appellant had moeten motiveren waarom het tweede lid van artikel XXIV van de Invoeringswet zou gaan boven het gestelde in het vierde lid van dat artikel. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd moet worden en het beroep tegen het bestreden besluit daarom gegrond verklaard.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft gesteld dat de besluitvorming onvoldoende is gemotiveerd. Appellant is van mening dat in artikel XXIV van de Invoeringswet geen aanknopingspunten zijn te vinden om de uitkering van betrokkene te berekenen naar de grondslag van het minimumloon.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Vastgesteld wordt dat in hoger beroep uitsluitend de berekening van de Wajong-uitkering over de periode vanaf 5 oktober 2009 aan de orde is.
4.2.
De overgang van de AAW naar de Wajong is geregeld in de Invoeringswet.
4.3.
Artikel XXIV van de Invoeringswet regelt de toepasselijkheid van AAW- en Wajongbepalingen op de personenkring.
4.4.
Volgens artikel XXIV, eerste lid, van de Invoeringswet blijven op bepaalde, daar omschreven, categorieën van personen de bepalingen van de AAW van toepassing, met uitzondering van de in het tweede lid genoemde artikelen.
4.5.
Betrokkene valt, nu hij op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Invoeringswet recht had op een AAW-uitkering, onder de in het eerste lid, aanhef en onder b, van laatstgenoemd artikel omschreven categorie van personen.
4.6.
Artikel 10, eerste lid, derde lid en vierde lid, van de AAW, waarin het onderscheid is neergelegd tussen de algemene en de individuele grondslag waarnaar de AAW-uitkering wordt berekend, worden niet genoemd in artikel XXIV, tweede lid, van de Invoeringswet. Volgens het systeem zoals dat in artikel XXIV van de Invoeringswet is vormgegeven zijn deze bepalingen uit de AAW derhalve onverkort van toepassing gebleven op personen als betrokkene.
4.7.
Door betrokkene is de vraag opgeworpen welke betekenis in dit verband moet worden gehecht aan artikel XXIV, vierde lid, van de Invoeringswet.
4.8.
Artikel XXIV, vierde lid, van de Invoeringswet bepaalt dat ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde personen uitsluitend de daar genoemde artikelen van de Wajong van toepassing zijn. Een van die artikelen is artikel 7 van Pro de Wajong. Dit artikel bepaalt dat de uitkering wordt berekend naar de grondslag van het minimumloon en bevat voorts bepalingen ten aanzien van de berekening van dit minimumloon en de herziening van de grondslag.
4.9.
Voor een goed begrip van het vierde lid van artikel XXIV van de Invoeringswet is de samenhang met het tweede lid van artikel XXIV van de Invoeringswet van belang. Het tweede lid ziet op de bepalingen uit de AAW die niet langer van toepassing zijn en het vierde lid ziet op de overeenkomstige bepalingen uit de Wajong die daarvoor in de plaats komen. Dat in het vierde lid ook artikel 7 van Pro de Wajong wordt genoemd is te verklaren vanuit het feit dat artikel 10, tweede, vijfde, zevende en achtste lid van de AAW zijn opgenomen in het tweede lid en dus niet van toepassing zijn gebleven. Deze artikelleden zien op de berekening van het minimumloon en de herziening van de grondslag. Voor deze bepalingen komen de bepalingen van artikel 7 van Pro de Wajong in de plaats.
4.10.
Uit de vermelding van artikel 7 van Pro de Wajong in het vierde lid van artikel XXIV van de Invoeringswet kan derhalve, anders dan door betrokkene betoogd, niet worden afgeleid dat, in weerwil van het in het eerste en tweede lid neergelegde systeem, de uitkering voortaan voor iedereen moet worden berekend naar de grondslag van het minimumloon.
4.11.
Hetgeen in 4.1 tot en met 4.10 is overwogen leidt tot het oordeel dat appellant in het bestreden besluit terecht onder verwijzing naar artikel XXIV van de Invoeringswet heeft vastgehouden aan de individuele grondslag. Een nadere motivering als door de rechtbank voorgestaan was hiertoe niet vereist. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en E.W. Akkerman en
R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2014.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) E. Heemsbergen

CVG