De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar tegen een WIA-uitkeringsbesluit van het UWV ten aanzien van een ex-werknemer.
Het UWV had de ex-werknemer per 17 september 2010 geen WIA-uitkering toegekend vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid, maar later bij het bestreden besluit van 9 juni 2011 een WGA-uitkering toegekend. De werkgever ontving dit besluit pas op 15 augustus 2011 en diende op 16 september 2011 bezwaar in, dat door de rechtbank Utrecht als te laat werd beschouwd en niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het besluit niet tijdig aan de werkgever bekend is gemaakt en dat de beroepstermijn pas start vanaf de dag na ontvangst van het besluit door de werkgever. Hierdoor is het bezwaar tijdig ingediend en ontvankelijk. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor inhoudelijke beoordeling.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van de werkgever en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 februari 2014.