ECLI:NL:CRVB:2014:532
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.Th. Wolleswinkel
- J.N.A. Bootsma
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens onbekwaamheid tijdens proeftijd bij tijdelijke aanstelling
Appellante werd op 1 februari 2009 tijdelijk aangesteld bij de gemeente Midden-Drenthe voor de duur van een jaar, met een proeftijd. Tijdens voortgangsgesprekken in maart en juni 2009 werden tekortkomingen in haar functioneren vastgesteld, zoals gebrek aan overzicht en structuur, waardoor collega’s moesten bijspringen.
Na bekendmaking van het voornemen tot ontslag, verleende het college haar op 10 november 2009 ontslag wegens onbekwaamheid anders dan op grond van ziekte. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. Appellante voerde aan dat het college onvoldoende bewijs had geleverd voorafgaand aan het ontslag en dat zij onvoldoende begeleiding had gekregen.
De Raad oordeelde dat het college in de procedure aanvullend bewijs mocht leveren, onder meer via getuigenverklaringen. Uit het bewijs bleek dat appellante vanaf het begin belangrijke tekortkomingen vertoonde en dat zij extra begeleiding kreeg. Er was geen aanwijzing dat technische hulpmiddelen ontbraken of dat begeleiding tekortschiet.
De Raad stelde dat bij ontslag tijdens de proeftijd bij een tijdelijke aanstelling een minder zware toetsingsmaatstaf geldt dan bij vast dienstverband, maar dat wel aannemelijk moet zijn dat relevante tekortkomingen aanwezig zijn en dat de ambtenaar een reële kans heeft gekregen zich te bewijzen. Dit was hier het geval. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag wegens onbekwaamheid tijdens de proeftijd wordt bevestigd.