ECLI:NL:CRVB:2014:555

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2014
Publicatiedatum
21 februari 2014
Zaaknummer
12-2995 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene Wet Bijzondere ZiektekostenWet maatschappelijke ondersteuning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing indicatie AWBZ-begeleiding groep wegens ontbreken psychiatrische grondslag

Appellant verzocht om een indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de functie begeleiding groep, welke door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) werd afgewezen vanwege het ontbreken van een psychiatrische grondslag. Tevens werd gewezen op het voorliggend karakter van GGZ-behandeling en/of voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde om de conclusies van het medisch onderzoek te betwisten. In hoger beroep voerde appellant opnieuw aan dat er wel een psychiatrische grondslag aanwezig zou zijn.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en vond geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de AWBZ-indicatie wegens ontbreken psychiatrische grondslag.

Uitspraak

12/2995 AWBZ
Datum uitspraak: 19 februari 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
13 april 2012, 11/6217 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2014. Appellant is niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Kersjes-van Bussel.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft CIZ de aanvraag van appellant om een indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de functie begeleiding groep te stellen afgewezen.
1.2. Bij besluit van 18 november 2011 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 augustus 2011 ongegrond verklaard. Hierbij heeft CIZ overwogen dat geen sprake is van een psychiatrische grondslag voor AWBZ-zorg. Voorts is
GGZ-behandeling en/of een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning voorliggend.
2.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat gesteld noch gebleken is dat het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde medisch onderzoek op ondeugdelijke wijze heeft plaatsgevonden. De enkele stelling van appellant dat wel een psychiatrische grondslag aanwezig is, heeft de rechtbank ontoereikend geacht om tot een ander oordeel te komen. Appellant heeft, ondanks dat dit op zijn weg lag, niet aan de hand van medische stukken onderbouwd waarom de conclusies in de medische rapporten niet juist zijn, of op één of meer punten concreet aangegeven waarom de medische adviezen niet deugdelijk zijn.
3.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er wel een psychiatrische grondslag aanwezig is.
4.
De Raad overweegt het volgende.
4.1.
Evenals de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende besluitvorming van CIZ onjuist is. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan gegeven oordeel.
4.2.
Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht en/of gemotiveerd waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en W.H. Bel en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) Z. Karekezi

CVG